zaterdag 2 mei 2020

Bevrijding

Ik zal maandag 4 mei weer de vlag halfstok hangen. Dat doe ik vooral voor de klasgenoten van mijn vader Theo Polet. Die zijn bijna allen doodgeschoten door de bezetter, omdat ze samen in een Brabantse verzetsgroep zaten die verraden werd. Hij was op tijd verhuisd naar Amsterdam, anders was hij er ook bij geweest.

Nooit heb ik goed kunnen aanvoelen hoe het voor mijn ouders moet zijn geweest om te leven in een oorlogstoestand. Totdat de pandemie van voorjaar 2020 toesloeg, duizenden slachtoffers maakte en het leven totaal ontwrichtte. 

De Corona-lockdown is niet vergelijkbaar met een staat van oorlog, omdat de tyrannie en het grove geweld van de Duitze bezetter vele malen groter was dan de dreiging van het virus. Maar het moet ongeveer hetzelfde voelen - hoogbejaarde landgenoten, die 1940-45 hebben meegemaakt, herkennen het: machteloosheid, verdriet, angst en woede, maar ook eendracht en een plotseling hervonden gemeenschapszin.
 
mijn vader in 1946
Mijn vader heeft lang geleden zijn oorlogsmemoires geschreven. Het zijn vele kantjes dicht op elkaar getypte tekst, waarin ik bekende, maar ook verrassende nieuwe anekdotes vond. Hij was bijna 17 jaar oud, toen hij exact 80 jaar geleden in zijn woonplaats Waalwijk de Duitse bommenwerpers zag overvliegen naar Rotterdam. Hij schrijft het volgende:

‘...Er hing een bruingele rook hoog in de lucht, die met de heersende westenwind over ons heen trok. Een paar weken na het bombardement heb ik Rotterdam gezien. De puinhopen rookten nog steeds, de Bijenkorf was een scheefgeslagen skelet. In de haven lagen de scheepswrakken, dezelfde schepen waarop ik, als er geen oorlog was gekomen, zou zijn uitgevaren. Mijn toekomst veranderde drastisch...’

Dat laatste was een verrassing voor mij. Ik heb mij nooit gerealiseerd dat hij ook had willen gaan varen. Gelukkig is dat niet gebeurd: de zeevaart was in WO2 een levensgevaarlijk bedrijf. 
 
bombardement op Rotterdam, mei 1940
Wat volgde op mei 1940 waren vijf jaren van steeds toenemende beperkingen, vervolgingen en moordpartijen door de bezetter. Ongeveer honderdduizend landgenoten werden op de trein gezet, eerst naar Westerbork, daarna naar de gaskamers. Mijn moeder vertelde het verhaal van het leeghalen van het Joodse verpleeghuis in Apeldoorn, waar ze van het zwart geüniformeerd gespuis naar moest blijven kijken, een meisje van 15 op weg naar school. Het spookbeeld is tot haar dood bij haar gebleven.

Mijn vader ging als 19-jarige een nacht bij de hoogbejaarde Joodse buurman zitten, die de Duitsers ‘s avonds niet van de trap af hadden willen dragen. Zodat de oude baas niet alleen zou zijn. De volgende dag haalden ze ook hem weg. Mijn vader sloot zich na de proclamatie van Wilhelmina over de oprichting van de Binnenlandse Strijdkrachten in september 1944 aan bij het verzet in Amsterdam. Veel zei hij daar nooit over, maar het is te lezen in zijn memoires.
 
monument in kamp Westerbork
Wat mei 2020 gemeen heeft met mei 1940 is ons totale tekort aan voorbereiding op een catastrofe. De ontwapening van de jaren ‘30 was ingegeven door dezelfde kortzichtigheid die nu, in 2020, onze economie en onze zorg zo kwetsbaar hebben gemaakt. Voorzorgen waren kennelijk niet meer nodig.

Er is niet alleen een parallel in de kortzichtigheid, maar ook in hardvochtigheid van bestuurders. Dat gaat kennelijk hand in hand. De Nederlandse overheid werkte tijdens de bezetting, voor een deel althans, keurig mee met de Duitsers. Daardoor konden met het grootste gemak honderdduizend mensen worden weggevoerd. 

Anno 2020 laat ons kabinet ontheemde vluchtelingkinderen aan hun lot over in Griekse kampen, waar ze grote kans hebben op het oplopen van Corona of een andere ziekte. En de Leidse wethouder van Welzijn sluit keurig volgens plan de Bed-Bad-Brood opvang van de gemeente Leiden middenin de epidemie. Zeven mensen zijn met hun koffertje de regen in gelopen, de illegaliteit in. Had dat niet even kunnen wachten? Het is van een andere orde dan meewerken aan een pogrom, maar de hardvochtigheid is dezelfde.

De experts lijken het erover eens te zijn dat dit niet de laatste pandemie zal zijn. Ook de toekomst van onze jongeren zou drastisch kunnen veranderen. Hoe gaan we ons beter voorbereiden en onze samenleving robuuster maken, minder afhankelijk van schaarse middelen en zorgcapaciteit? Een soort Pandemie-Marshallplan? Hebben we ervan geleerd, en vooral, heeft onze politiek ervan geleerd? 

Ik vrees het ergste. Het eerste dat een bestuurder verliest zodra hij aan de macht is, is het vermogen om te luisteren.