zaterdag 25 mei 2024

Een Surinaamse tropenarts

Een Surinaamse wetenschapper in oorlogstijd

Bronnen: Universiteit Leiden (artikel door Merijn van Nuland) en De Ware Tijd (artikel door Audry Wajwakana).

Een straat, een school en het Medisch Wetenschappelijk Instituut (MWI) in Paramaribo zijn naar professor doctor Paul Christiaan Flu (1884-1945) vernoemd. Echter, niet iedereen kent het levensverhaal van deze briljante Surinaamse wetenschapper, die op het gebied van gezondheidszorg baanbrekend werk heeft verricht. 

Mariska de Jong van de stichting Ma-Jong wil hierin verandering brengen. “Paul Flu is een grootheid, die wij misschien onbewust in de vergetelheid hebben gedrukt. Hij verdient een grotere en bredere bekendheid”, zegt ze tegen de Surinaamse krant De Ware Tijd, en: “Het heeft lang geduurd voordat dit werd gerealiseerd. Anno 2024 constateren we dat de ontwikkeling van het waterleidingnet niet is meegegroeid met de stadsuitbreiding en de bevolkingstoename in Paramaribo en daarbuiten. Dat is toch wel jammer.”

Paul Christiaan Flu, uit een gegoede Surinaamse familie, ging al op zijn vijftiende naar de Geneeskundige School in Paramaribo, en haalde daarna op 22-jarige leeftijd zijn artsendiploma aan de Universiteit Utrecht en studeerde verder in Parijs en Hamburg. Vervolgens bracht hij drie jaar door in zijn vaderland, de toenmalige kolonie Suriname, als officier van gezondheid. Daar werd hij hoofd van het zojuist opgerichte Laboratorium voor Bacteriologie en Pathologie, waar hij zelf ook onderzoek deed en les gaf. In die jaren onderzocht hij de Surinaamse bevolking die geplaagd werd door tropische ziekten.

Paul Christiaan Flu


Flu was medeorganisator van een expeditie naar de Surinaamse plaats Groningen. Daar was een verpleeghuis gevestigd voor lijders aan framboesia, een tropische infectieziekte die veelal gepaard gaat met framboos-achtige huidgezwellen. De goed onderlegde Flu vermoedde dat de huidziekte eenvoudig te genezen was en hij liet de zieken behandelen met salvarsan, een voorloper van antibiotica. Na drie weken waren alle patiënten genezen en kon het verpleeghuis dicht.

In de steden, de rubberplantages en de goudindustrie van Suriname waren de leefomstandigheden onder het gewone volk buitengewoon slecht. De belangrijkste tropische ziekten waren in die tijd gele koorts, malaria, filaria, bilharzia en bos-yaws (leishmaniasis). Flu had al snel door dat deze in Paramaribo op twee manieren aangepakt moesten worden: preventie en genezing. 

Met zijn kennis van bacteriologie en parasitologie wist hij dat de drinkwatervoorziening van Paramaribo verbeterd moest worden, omdat stilstaand water een bron is van tropische ziekten, die mede de oorzaak waren van het hoge sterftecijfer in Paramaribo. Flu beperkte zich niet alleen tot de medische behandeling en ontwikkeling van medicijnen, maar had ook aandacht voor de oorzaken waarover hij advies gaf. Eén van zijn aanbevelingen aan de overheid was om het waterleidingnet voor Paramaribo op te zetten, zodat de toenmalige open drinkwaterbakken uit de besmettingsketen konden worden verwijderd. Het zou uiteindelijk nog tot 1933 duren voordat de Surinaamse Waterleiding Maatschappij een waterleiding aanlegde van de Pararivier naar Paramaribo.

Paul Flu in zijn werkkamer, locatie onbekend


Het baanbrekende werk van Flu werd opgemerkt, niet alleen in Paramaribo maar ook in Den Haag. In 1911 werd Flu benoemd tot Ridder met de Zwaarden in de Orde van Oranje Nassau. Hij was toen pas 27 jaar oud. Kort daarna vertrok hij naar Nederlands-Indië, om daar zijn werk in de tropische geneeskunde voort te zetten.

In 1921 haalde de Universiteit Leiden dr. Flu terug naar Nederland als hoogleraar Tropische Hygiëne en directeur van het nieuw opgerichte Instituut voor Tropische Geneeskunde. Het hoogtepunt van de glansrijke carrière van Paul Flu kwam eind jaren dertig. In 1936 ontving hij een eredoctoraat van zijn alma mater, de Universiteit Utrecht. En twee jaar later werd de Surinamer bovendien benoemd tot rector magnificus van de Universiteit Leiden. Hij zou de functie een jaar bekleden, zoals in die tijd gebruikelijk was.

De oorlogsjaren

Aan het begin van de bezetting gingen enkele collega’s van Flu in Leiden over tot verzet. Bekend is de protestrede van hoogleraar Rudolph Cleveringa, die al in november 1940 protesteerde tegen het ontslag van zijn Joodse collega’s. Flu was geroerd door de gebeurtenissen, blijkt uit zijn memoires. Voor hem kwam het breekpunt pas in juni 1942, na meer dan twee jaar bezetting. Op dat moment werd de jurist Roelof Kranenburg door de bezetter ontslagen. Dat was reden voor 58 van de 93 Leidse hoogleraren, waaronder Paul Flu, om uit protest ook hun ontslag in te dienen. 

Op 7 augustus 1942 werd hij opgepakt en met andere prominenten vastgezet in gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel. Na korte tijd werd hij naar huis gestuurd, mede omdat hij vlak voor de oorlog een ernstige hartkwaal had opgelopen als gevolg van een ongeluk in zijn eigen laboratorium. Zijn vrijheid zou van korte duur zijn. Op 4 januari 1944 werd Paul Flu opnieuw opgepakt. Hij wist toen nog niet dat zijn zoon Hans juist was doodgeschoten door de Sicherheitsdienst, hij hoorde er pas van na zijn arrestatie. Hij bevond zich op dat moment met de overige 34 arrestanten in de Ortskommandantur aan de Boerhaavelaan in Leiden. Paul Flu zelf werd ditmaal afgevoerd naar Kamp Vught. Het regime was er vele malen strenger dan in het kamp in Sint-Michielsgestel.

Kamp Vught


Na een kleine maand werd Flu ontslagen uit Vught, en kon hij terugkeren naar Leiden. Maar meer dan door deze fysieke ontberingen, was Flu gebroken door de dood van zijn zoon. Hij werd neerslachtig en moedeloos. Over Vught schreef hij dat de slechte behandeling hem ‘volkomen onverschillig’ liet. En na zijn vrijlating leefde hij enkel nog voor zijn kleinkinderen die hun vader hadden verloren.

Op 17 september 1945 werden de deuren van de Universiteit Leiden feestelijk heropend. Paul Christiaan Flu liep die dag waarschijnlijk niet mee in het cortège: hij was te zwak. Drie maanden later stierf hij, op 61-jarige leeftijd. De academie overleefde weliswaar het oorlogsgeweld van de bezetter, maar het verloor mede daardoor één van zijn meest vooraanstaande wetenschappers.

Postuum eerbetoon

Het verhaal van Paul Flu verdient grotere aandacht, omdat hij een voorbeeldfiguur is voor studenten in het algemeen. Op 4 mei 2024, tijdens de Dodenherdenking in Leiden, vertelde Gin Sanches, adviseur van Stichting Ma-Jong, het bijzondere verhaal van Paul Flu aan de aanwezigen in het Academiegebouw van de universiteit.

Niet alleen Mariska de Jong en Gin Sanches proberen Paul Flu in de belangstelling te krijgen. Wilfred Lionarons schreef al eens een verhandeling ‘Professor dr. Paul Christiaan Flu 1884-1945’, en Luciën Karg maakte meer dan tien jaar geleden een documentaire over de wetenschappelijke verdiensten van Flu. Deze documentaire is op YouTube te zien. 


Ook historicus Eric Kastelein besteedde aandacht aan Paul Flu, met name aan het borstbeeld dat zich in het Academisch Ziekenhuis Paramaribo (AZP) bevindt. Hij zorgde in 2022 in samenwerking met de directie van het AZP voor een plaquette bij het borstbeeld. “Er is dus al mooi voorwerk gedaan, maar dat is nog niet voldoende”, vindt Mariska de Jong.

Ze voegt eraan toe dat Ma-Jong en ‘Stichting Voor Elkaar’ van de familie Flu toestemming hebben gekregen om het verhaal over Paul Flu te vertellen. Dit wil ze samen met organisaties in zowel Nederland als Suriname doen en ze roept eenieder op die iets van of over hem heeft contact met haar organisatie te maken voor een grotere herdenking volgend jaar. “Ik ben in ieder geval al blij dat de Universiteit van Leiden heeft meegewerkt om zijn verhaal door mijn collega Gin Sanches te laten vertellen tijdens de dodenherdenking”, zegt De Jong.

Onlangs heeft zij in samenwerking met Quality College Suriname een start gemaakt met de opleiding Uitvaartverzorging, waar het thema culturele geschiedenis onderdeel is van het lesprogramma. Begin mei kregen haar studenten een rondleiding bij AZP en MWI, waar hen het verhaal van de hoogleraar werd verteld. Mariska de Jong vindt het opvallend dat het MWI naar Paul Christiaan Flu is vernoemd, maar bij het instituut zijn naam slechts op een klein naambord is vermeld. Hierdoor wordt de afkorting MWI veelvuldig gebruikt in plaats van zijn naam. “Als we kijken welke bijdrage Paul Flu in Leiden heeft geleverd, dan moeten we kijken wat Leiden kan doen voor Suriname.” Misschien door het inrichten van een herdenkingshoek voor Paul Flu in het MWI, en een uitwisselingsproject tussen de Universiteit van Leiden en het MWI.

Herdenking 4 en 11 mei

Paul Christiaan Flu is op 4 mei 2024 herdacht in Leiden en in Paramaribo. Ik was bijzonder vereerd om op 4 mei bij de herdenking van Paul Flu op de universiteit Leiden aanwezig te mogen zijn, inclusief een voordracht van Gin Sanches, en bij de kranslegging bij het oorlogsmonument door Edwina Watson.


Kranslegging 4 mei 2024


Aansluitend mocht ik op 11 mei voor een klein gezelschap een voordracht geven over Paul Flu en Nederland in oorslogstijd. Hier volgt een samenvatting.

Tot voor kort wist ik, zoals zovele Nederlanders, niet van het bestaan van Paul Christiaan Flu. Het kwam door mijn groeiende betrokkenheid bij de Surinaamse gemeenschap in recente jaren, dat ik zijn naam hoorde. Paul Flu en zijn zoon Hans zijn beiden slachtoffer geworden van de Duitse bezetting tussen 1940 en 1945. Tijdens de oorlogsjaren waren er nog weinig mensen van Surinaamse afkomst in Nederland. Ik weet van tenminste één andere prominente Surinamer: Anton de Kom, die stierf in een concentratiekamp. 

Maar er waren meer Surinaamse oorlogsslachtoffers. Ik heb de namen gevonden van 65 anderen, die veelal als zeevarende of militair hebben gediend en zijn omgekomen. Op het monument aan de Waterkant in Paramaribo worden ook zij geëerd. 

Wat is mijn connectie met de tweede wereldoorlog? Ik ben de zoon van een verzetsman, Theo Polet, die in Brabant al op jonge leeftijd inlichtingen verzamelde voor de geallieerden, en na een verhuizing naar Amsterdam actief in het verzet ging. Mijn vader heeft de verschrikkingen van de bezetting in Amsterdam van dichtbij meegemaakt, de vervolgingen en razzia’s, waarbij ook Joodse vrienden van hem werden opgepakt om nooit meer terug te komen. 

Ik heb uit het oorlogsdagboek van mijn vader geput om de aanwezigen een beeld te schetsen van Nederland in oorlogstijd, en daarmee de lotgevallen van de familie Flu in context te plaatsen. Mijn vader was weliswaar een verzetsman, maar hij was sterk gekant tegen de aanslagen op collaborateurs en Nazi-kopstukken vanwege de represailles die de Duitsers ondernamen tegen de burgerbevolking. Represailles waarvan Paul Flu en zijn zoon Hans slachtoffer werden.

Mijn complete presentatie is hier te lezen.




dinsdag 14 mei 2024

Kort verhaal over het IJsselmeer

Korte verhalen zijn niet helemaal mijn ding, maar toen ik van de Jachthaven Andijk de vraag kreeg om een kort verhaal te schrijven voor hun jaarlijkse magazine, ging ik toch maar aan de slag, temeer omdat de jachthaven met redelijk succes mijn boeken verkoopt. Enkele personages van de jachthaven spelen de hoofdrol. Het (fictieve) stukje is ook in het Duits vertaald.

Het IJsselmeer wordt weleens onderschat: het is een echte binnenzee, waar bij harde wind in no time ruwe omstandigheden ontstaan, met golfhoogten van ruim een meter. De medewerkers van de jachthaven in het verhaal (Jan en Bas) zijn niet voor niets opstapper op de reddingboot 't Span, die vanuit Andijk vaart.

***


LAGERWAL

De wandelaar die zaterdagochtend vroeg in de motregen zijn hond uitliet bij de surfplas aan de Vooroever, zag een wit met rood voorwerp op het strandje liggen. Naderbij gekomen bleek het een reddingboei te zijn, zo’n ouderwetse, wit met rood, een beetje van kleur verschoten met een rafelige lijn eraan en de woorden ‘Drijfhout - Hylpen’ erop. Zeker van een boot afgewaaid, dacht hij. Hij floot zijn hond en schonk er verder geen aandacht aan, totdat hij na thuiskomst het nieuws aanzette en hoorde dat er een klein zeilbootje was vermist met de naam Drijfhout, thuishaven Hindeloopen. Hij besloot de boei op te halen en naar de vlakbij gelegen jachthaven van Andijk te brengen. Die wisten er misschien wel raad mee.

De havenwinkel was open en Corine, die bezig was de daags daarvoor geleverde dozen met onderdelen uit te pakken, nam de boei aan. ‘Bij de surfplas? Wat raar dat daar een boei ligt. Hij zal wel naar binnen zijn gewaaid vannacht, het heeft zo vreselijk gespookt. Maar bedankt voor de moeite, ik zal eens aan de jongens vragen of zij er iets van weten.’

Bij de koffie die ochtend liet ze de boei aan Jan en Bas zien. ‘Een voorbijganger heeft dit gebracht. Hij zei dat hij bij de surfplas lag.’

Hindeloopen, centrum



Ze zaten wat te gapen na de reddingbootactie de voorafgaande nacht. Ze waren er tot ver na middernacht uit geweest voor een melding over een vermiste zeilboot, waar ook de boten van Hindeloopen en Enkhuizen op af waren geweest. ‘Drijfhout? Ik denk dat die boei van dat bootje komt waar we naar hebben gezocht,’ zei Jan. ‘Ze zijn vanmorgen met een helikopter verder gaan zoeken, maar door die regen kunnen ze nu niet zoveel zien.’

Het bootje was de vorige middag bij mooi weer uitgevaren, een oud rood kajuitbootje van zes of zeven meter. De noordoostenwind was tegen de avond toegenomen tot zes, gevolgd door stortbuien vanuit het zuiden. De eigenaar van het bootje was niet thuisgekomen. Hij nam zijn telefoon niet op en zijn vrouw had bezorgd de havenmeester in Hindeloopen gebeld. Die had uiteindelijk de kustwacht ingeschakeld, waarna de KNRM eropaf was gestuurd. Na donker hadden de gealarmeerde boten in de regen nog een paar uur met radar en zoeklicht rondgekeken, maar niets kunnen vinden.

Gedurende de dag trok de regen weg. Er kwam een zwak zonnetje en de zoekactie werd voortgezet met een helikopter, maar nog steeds zonder succes. Het bootje was en bleef vermist. Op kanaal 1 werd ook de pleziervaart opgeroepen om uit te kijken naar rode wrakstukken, of misschien een mast die boven water uitstak.

windkracht 6 op het IJsselmeer

‘s Middags waren kinderen naar de uitkijktoren gelopen over het modderige bospaadje opzij van de surfplas aan de Vooroever. Half verscholen tussen de bomen aan de overkant van het ondiepe kreekje naast het pad was iets roods zichtbaar. Er stak iets omhoog dat leek op een mastje met witte rafels eraan.

Kort daarop werd de haven gebeld door de politie met de vraag of ze een bootje kwijt waren. Er was een rood wrak gezien in het vogelreservaat naast de surfplas, maar ze konden er niet bij komen.

‘Een rood wrak?’ vroeg Carola, die de telefoon had opgenomen. ‘Er was gisteravond een rood bootje vermist bij Hindeloopen, maar dat is helemaal aan de overkant. Ik zal eens informeren.’ Ze belde Bas, die bezig was met de kraan een boot te water te laten. ‘Bas, de politie belde dat er een rood bootje is gezien in het reservaat naast de surfplas. Mis jij soms een rode boot uit de haven?’

‘Volgens mij ligt iedereen op zijn plek. Een rode boot, zei je? Misschien is het wel dat bootje waar we gisteren naar hebben gezocht.’

‘Dat was toch helemaal in Friesland? Maar ja, je weet nooit, en hij schijnt ook nogal wat schade te hebben. Ze kunnen er niet bij komen. Kunnen jullie eens een kijkje gaan nemen, want hij hoort daar sowieso niet.’

Is er niemand aan boord?’

‘Ze dachten van niet.’

Positie van het wrak. Bron: website Jachthaven Andijk, bewerkt

 

Bas en Jan pakten het werkbootje en voeren langs de surfplas naar het reservaat. Met enige moeite kwamen ze over de ondiepten voor de ingang, en na enig rondvaren tussen de luid protesterende ganzen vonden ze een rood bootje, dat met gescheurde zeilen verstrikt was geraakt in de takken van de wilgen die daar half in het water staan. Achterop stond de naam ‘Drijfhout’.

De kajuitingang was open en binnen zagen ze een man liggen, op zijn buik op de kajuitvloer. Ze keken elkaar aan met holle ogen. ‘Dat ziet er niet best uit.’

‘Stap jij aan boord, dan houd ik de boot langszij.’

Jan stapte in het gangboord van het beschadigde bootje en dook naar binnen. Hij onderzocht de man en voelde een zwakke polsslag. Hij was buiten kennis en steenkoud, blijkbaar onderkoeld. Hij stak zijn hoofd naar buiten. ‘Bas, hij leeft nog. Bel jij 112 voor een ambulance bij de surfplas? Dan kijken we of we hem eruit kunnen halen.’

Na het telefoontje maakte Bas de boot langszij vast en stapte aan boord. Afgezien van een fikse hoofdwond leek de man geen andere letsels te hebben, dus ze draaiden hem met vereende krachten om en legden hem in de kuip. Het was een hele klus om hem daarvandaan in de werkboot te tillen, maar uiteindelijk lukte het en voeren ze met de patiënt naar de surfplas, waar politie en ambulance wachtten.

natuurgebied Vooroever, gezien vanaf het IJsselmeer

Twee weken later verscheen een lange magere man met een verband om zijn hoofd in de havenwinkel, met een bos bloemen en een slagroomtaart. Hij was de eigenaar van het bootje dat in het reservaat had gelegen, en inmiddels was geborgen en op de wal gezet achter het havenkantoor. Hij vertelde bij de koffie dat hij was overvallen door de harde wind en tijdens het reven van het grootzeil een klap had gekregen van de giek. Hoe hij verzeild was geraakt in het reservaat aan de Vooroever kon hij niet uitleggen. Blijkbaar had het bootje in het donker zijn eigen weg gezocht. Doordat de liftkiel omhoog was gedrukt, was het kennelijk aan lagerwal over de ondieptes heen gezet en geëindigd tussen de bomen.

Het kan raar lopen op het IJsselmeer.

Ted Polet 2023

 


Brondocument: Magazine Jachthaven Andijk, extract.

Deutsche Version ('Legerwall'): Clicken Sie hier.

 


dinsdag 23 april 2024

Een andere kijk op Beverwijk

Stadswandeling Beverwijk

Op 13 april 2024 vond een stadswandeling plaats in Beverwijk, vanuit de Grote Kerk langs diverse historische plaatsen met als eindpunt het Museum Kennemerland. Hierbij werd bijzondere aandacht gegeven aan het koloniale verleden van de stad.  


In de Grote Kerk zijn verschillende rouwborden te zien en rouwkapellen van families die in verband worden gebracht met het koloniale verleden. Hierover gaf Jan Kramer uitleg. Daarna bespeelde Wim Goedegebuur het monumentale Müller-orgel, ooit geschonken door Anna Elisabeth Geelvinck, eigenaresse van buitenplaats Scheybeek en drie plantages in Suriname.

De Grote Kerk in Beverwijk


Vanuit de Grote Kerk liepen wij onder leiding van drs Fred Schweitzer en Jan Kramer langs de Lutherse kerk De Swaen. De grond van De Swaen was in 1771-1778 eigendom van Susanne Lespinasse.
Haar Surinaamse dienstbode Susanna Dumion (1713-1818) is door haar bij testament uit slavernij vrijgelaten. Susanna bleef bij de familie en is tussen 1771 en 1778 ongetwijfeld in Beverwijk geweest. Het graf van Susanna Dumion, overleden op 105-jarige leeftijd, is onlangs door Mariska de Jong herontdekt in Haarlem (zie https://tedpoletboeken.blogspot.com/2023/07/over-identiteit.html).  

Vervolgens bezochten wij de locaties van huizen waar Claes van IJperen heeft gewoond, aan het Meerplein en aan de Breestraat, om onze weg te vervolgen naar Akerendam en Zuijderwijck, Scheybeek en Duijnwijk (waarvan alleen de portierswoning rest). Deze hebben alle een koloniale achtergrond en zijn eigendom geweest van families die in verband worden gebracht met slavernij. Fred en Jan vertelden vele wetenswaardigheden over de bouwers, eigenaren en geschiedenis van deze buitenplaatsen.

Een interessant verhaal is dat van Jan Lapro, de laatste eigenaar van Duijnwijk. Hij kwam met drie 'slavinnen' vanuit Indië terug naar Nederland. De dames waren een geschenk van de plaatselijke sultan! Aangekomen in Nederland gaf hij hen bij de notaris hun vrijheid terug en stuurde hen per schip retour naar Indië. Dat kon dus ook in die tijd...

 

landhuis Scheybeek

In het Museum Kennemerland, dat zo vriendelijk was om ons een locatie te bieden voor het middagprogramma, kregen wij een lunch aangeboden door Mariska de Jong, waarna Fred Schweitzer en ik elk een presentatie gaven. Fred richtte zich vooral op een door hem gevonden stadskaart uit de 17e eeuw met gedetailleerde informatie over Beverwijk en enkele bekende inwoners van de stad. Vervolgens ging ik nader in op de relatie van Beverwijk met de slavenhandel en de Surinaamse slavernij. Daarna volgde een rondgang door het museum en de expositie over de Marrons, die een week eerder was geopend (zie eerdere post).

Van mijn presentatie volgt hieronder een samenvatting.

Beverwijk en het slavernijverleden

De slavernij in Suriname en het Caribisch gebied was een systeem van menselijke uitbuiting op industriële schaal. Zoals al eerder vermeld, ging het in Suriname alleen over 220.000 mensen in 200 jaar tijd. Zij hadden op de plantages een gemiddelde levensverwachting van 8 jaar.

Tegenwoordig kijken we met verbazing en afschuw naar het ongebreidelde winstbejag uit die tijd, over de rug van duizenden ongelukkigen. Het verbijsterende is dat dit kon gebeuren in de tijd van de Verlichting, waarin de mens, redelijkheid en beschaving centraal kwamen te staan.

Fort Elmina, veroverd door toedoen van Claes van IJperen in 1637. Elmina zou het hoofdkwartier worden van de WIC in West-Afrika.

Beverwijk was meer verweven met de slavernij dan je zou denken. Allereerst waren vele rijke buitenplaatsen rond Beverwijk in de 17e en 18e eeuw eigendom van veelal Amsterdamse families met belangen in de slavernij.  

Ik zal nog wat voorbeelden geven: de latere burgemeester Claes van IJperen, reeds genoemd door Fred Schweitzer, was in 1637 nauw betrokken bij de start van de slavenhandel van de West-Indische Compagnie. Ook was er Gerrit Pater, een Beverwijker die in 1705 naar Suriname vertrok. In 1710 huwde hij een plantersdochter, die hem mogelijk een startkapitaal bracht. Hij stierf in 1744 als lid van het koloniaal bestuur en eigenaar van drie plantages. Hij was toen rijkste man van de kolonie. Half Suriname stond bij hem in de schuld, wat iets zegt over de leefstijl van de planters in die tijd.


 

De connectie tussen Amsterdam en Beverwijk

De stank in het rijke Amsterdam moet niet te harden zijn geweest, vooral ‘s zomers als het warm was, want de grachten waren een open riool. Vergeleken met de stad was het Wijkermeer in die dagen een idyllisch oord, een zeearm met een open verbinding via het IJ naar de Zuiderzee. Rijke stedelingen zochten ‘s zomers hun toevlucht in ‘lustoorden’ tussen de duinrand en het Wijkermeer. 


Het Wijkermeer (Salomon van Ruysdael)

De Amsterdamse rijkdom kwam allereerst uit de Europese handel zoals hout- en graanhandel op de Oostzee, handel in wol en dakpannen op Schotland en zout vanuit Portugal. Pas later ontstond de koloniale handel van de Verenigde Oost-Indische Compagnie en de West-Indische Compagnie. Nog veel later in de 17e eeuw werd de Sociëteit van Suriname opgericht.

Laten we eens kijken naar de laatste twee.

De West-Indische Compagnie (1621)

De WIC is opgericht  1621, ‘geoctrooieerd’ door de Staten-Generaal en gefinancierd met publiek en privaat kapitaal. De WIC was bedoeld om door kaapvaart de Spaanse en Portugese koloniën dwars te zitten.

Al in 1623 onderzoekt de WIC de slavenhandel vanuit Angola. In 1637 verovert de WIC het West-Afrikaanse fort São Jorge da Mina op de Portugezen, waarin Claes van IJperen uit Beverwijk, dan Directeur-Generaal van de Goudkust, een hoofdrol speelt. In 1630 verovert de WIC  Brazilië (Nederlands gebied tot 1654).


Na de vrede van Münster van 1648 komt een einde aan de kaapvaart. De aandacht  verschuift dan naar de handel in koloniale producten en de slavenhandel op Amerika. De WIC heeft contracten met mensenhandelaars in de West. In 1674 gaat de WIC failliet, maar maakt een doorstart. Geleidelijk krijgt de WIC naast het bestuur van Curaçao en andere eilanden een rol in het bestuur van de nieuwe kolonie Suriname, en later wordt zij aandeelhouder in de Sociëteit van Suriname.

De Sociëteit van Suriname (1683)

De SvS is opgericht in 1683, met als aandeelhouders de WIC, de stad Amsterdam en Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck. Deze laatste was een avonturier, een oud-militair en een echte houwdegen, die zijn aandeel kocht met geld geleend in Amsterdam.

De SvS was een koloniale exploitatiemaatschappij belast met bestuur en verdediging van Suriname. Bevoorrading van Suriname moest plaatsvinden vanuit Amsterdam, een onhandige regeling ingegeven door de in- en uitvoerrechten geheven door de stad. Vele Amsterdamse notabelen waren directeur van de SvS en hadden belangen in plantages.

18e eeuws plantagehuis Mariënbosch. Commewijne, Suriname

Buitenplaatsen en rijke families

Veel van de rijke buitenplaatsen aan het Wijkermeer waren in de 17e en 18e eeuw eigendom van Amsterdamse families met koloniale belangen. Ik zal er een paar noemen: Bicker, Geelvinck, Boreel, Coymans, Pels, Trip en Sautijn. Die families vormden een gesloten clan, die elkaar lucratieve koloniale bestuursfuncties toespeelden.

Ook de landgoederen wisselden via overerving en onderlinge huwelijken vaak van eigenaar binnen de eigen ‘bubbel’.

Landgoed Scheybeek was lange tijd eigendom van leden van de rijke familie Geelvinck, die al in 1621 betrokken was bij de WIC. Anna Elisabeth Geelvinck was bijna 20 jaar eigenaresse van Scheybeek en (door het erfdeel van haar echtgenoot Lucas Pels) van de Surinaamse plantages Boxel, Het Yland en Sinabo en Gelre. Het orgel in de Grote Kerk van Beverwijk is geschonken door Anna Elisabeth Geelvinck. 

de plantages van Anna Elisabeth Geelvinck

Bij de eigenaren van Akerendam zien we in de loop der jaren ook weer familienamen terugkomen met belangrijke koloniale connecties: Bicker, Geelvinck, Pels, Boreel en Sautijn.

Het eerste huis Westerhout is rond 1627 gebouwd door Balthasar Coymans (1555-1634). Deze familie heeft een lange historie van slavenhandel. Door huwelijk en overerving ontstonden relaties met de families Boreel en Geelvinck, beide met belangen in de WIC en de SvS.

Laten we eens kijken naar de familie Coymans.

De familie Coymans

Balthasar Coymans II, overleden in 1657, bouwde samen met zijn broer Joan Coymans (eveneens overleden in 1657) het handelshuis Coymans, opgericht door hun vader Balthasar I (1555-1634), verder uit. Dit was aanvankelijk gericht op de handel in edelmetalen, Zweeds ijzer, teer, linnen en specerijen. De familie had al vroeg belangen in de WIC en Isaac Coymans (1622-1673), een neef van Balthasar en Joan, hield zich al omstreeks 1656 actief bezig met slavenhandel: hij was enige tijd opperkoopman in Elmina.

Het handelshuis Coymans trad later op als makelaar in de slavenhandel via Curaçao. Zij huurden vanuit Cádiz in Spanje de WIC in als leverancier, omdat de Spanjaarden niet mochten handeldrijven in Afrika als gevolg van het Verdrag van Tordesillas uit 1494, waarbij de wereld werd verdeeld tussen Spanje en Portugal.

Rouwbord van Balthasar Coymans II, overleden 1657, in de Grote Kerk van Beverwijk

Sophia Trip, de weduwe van Joan Coymans, leidde het handelsimperium tussen 1657 en 1670. Haar zonen Balthasar en Jan namen daarna de leiding over. Isabella Coymans (1647-1705), eigenaresse van Westerhout en gehuwd met Jacob Boreel, was hun volle nicht.

Oud geld en investeerders

Vele buitenplaatsen aan het Wijkermeer zijn al vóór 1650 ontstaan uit vermogen verdiend met de Europese handel. Pas later in de 17e eeuw verschenen de slavenhandel en de plantage-economie op het toneel. De latere eigenaren van die buitenplaatsen waren vaak bestuurders van de WIC en de SvS, en streken zo ook een percentage van de slavenhandel op. Zij verfraaiden de landhuizen en bijbehorende tuinen met geld waarvan de herkomst twijfelachtig is.

Buitenplaatsen aan het Wijkermeer
 

Rond ca. 1750 ontstonden ‘negotiaties’, beleggingsfondsen, waaruit de Surinaamse planters leningen konden krijgen. Die planters leenden tegen de klippen op om hun extravagante leefstijl te kunnen betalen.

Met de negotiaties werd de geldstroom minder doorzichtig, wat vragen opwerpt over deze investeerders. Wisten zij nu wel of niet van de uitbuiting in de kolonie? Of was het misschien ver van hun bed en keken ze weg? Uiteindelijk verloren deze beleggers bijna al hun geld...

Ik vergelijk dit weleens met de beleggers in Shell. Wisten zij wel wat er door Shell in Nigeria werd uitgespookt?

Tot slot

Mogen wij niet meer genieten van de schoonheid van al die historische monumenten? Dat is natuurlijk onzin.

Maar denk soms eens na over de schaduwzijde van al die pracht en praal.