donderdag 26 maart 2026

Engelse editie Het Betwiste Land gepubliceerd

 Ruim twee jaar geleden, in oktober 2023, schreef ik naar aanleiding van de toen juist losgebarsten vergeldingsoorlog van Israël tegen de bevolking van Gaza, over mijn eigen ervaringen in het Midden-Oosten van vijftig jaar eerder. Ik schreef: Het is bijna een thema voor een nieuw boek. Misschien komt dat er nog een keer. Welnu, het boek is klaar: de Engelse editie Contested Land is vorige maand gepubliceerd en het uitgeefcontract voor de Nederlandse editie Het betwiste land  is onlangs getekend: publicatie volgt later dit jaar.

Het betwiste land is ontstaan uit afschuw en verontwaardiging over de Israëlische slachtpartij. Ik heb daar eerder over geschreven in mijn blog. Inmiddels is na de nog immer voortgaande Gaza-oorlog de wereld nog verder op zijn kop gezet door de Amerikaans-Israëlische aanval op Iran, waarbij de Amerikaanse blunders in Irak en Afghanistan vrijwel blindelings worden herhaald. Israël zet de slachtpartij van Gaza nu voort in Libanon, alweer zonder dat de westerse politiek een vinger uitsteekt, vermoedelijk om geopolitieke en ideologische redenen. En ongeacht de schending van het internationaal recht, vinden ze het stilletjes wel handig dat iemand het regime in Iran aanpakt. Totdat we wereldwijd in een recessie terechtkomen, maar dan is het te laat.




Politieke thriller met een boodschap

Ik ben teruggegaan in de tijd om een politieke thriller te schrijven die zich afspeelt in het Midden-Oosten tussen 1973 en 1980. Het is in de eerste plaats een spannend leesboek met een menselijke insteek, maar ook met een achterliggende boodschap omdat ik over de strijdende partijen geen blad voor de mond neem, de Arabische zijde noch Israël.

Anders dan je zou denken, wonen in het Midden-Oosten ook gewone mensen zoals u en ik, die tegen wil en dank worden onderworpen aan het geweld en zich desondanks staande moeten houden. Het betwiste land gaat over gewone mensen, een Nederlandse zeeman, een Israëlische militair en een Palestijnse familie, niet alleen over hun traumatische belevenissen, maar ook over liefde en vriendschap. Het verhaal is fictie, ingebed in historische feiten, en beschrijft tevens een op de achtergrond draaiende diplomatieke en politieke leugenfabriek.

Het onderzoek naar dit beladen onderwerp heeft mij de ogen geopend, en dat was geen fijn gevoel. Je moet de historische achtergronden van het conflict tussen Israël en Palestina ontrafelen om te begrijpen waar het huidige geweld vandaan komt. Artikelen op Wikipedia, boeken geschreven door Palestijnen, Libanezen en Nederlandse en Israëlische journalisten en historici, en documentaires over de Israëlische samenleving.

Ik heb geprobeerd om door de ideologie heen te prikken die de kwestie vertroebelt, en een eerlijke mening te vormen. Het resultaat van mijn studie vormt de achtergrond van Het betwiste land. 

De Nederlandse editie zal verschijnen in oktober. Maar als u ook graag Engels leest: de Engelse editie (Contested Land) is inmiddels uitgegeven op het digitale platform Bookmundo, en te bestellen via mijn website, als paperback zowel als e-book.

Voorproefje  

Als voorproefje volgen hier enkele episodes uit de Nederlandse editie.

1973

We renden de gang op, die vol rook stond. Ik struikelde bijna over een lichaam waar ik de bewaker in herkende die mij dagenlang had mishandeld. Hij was morsdood, bloed op zijn gezicht. Verderop zat een groot gat in een muur, waaruit verwrongen stukken betonijzer staken. Binnen lag het vol met betonpuin. De gemaskerde mannen en wij kropen erdoorheen en kwamen uit in een steegje, waar nog meer gemaskerde kerels stonden, tot de tanden gewapend, en een paar gevangenen die dezelfde taal spraken als de overvallers en mijn celgenoot. We gingen in looppas het steegje in, met een achterhoede van twee mannen. Ik was na een maand in de cel niet erg fit meer en kon ze nauwelijks bijhouden.

Het was een labyrint van straatjes en steegjes, een oude Arabische binnenstad, een soek waarin de overvallers kennelijk de weg wisten. Na een minuut of tien hielden we halt en ontstond er een verhitte discussie tussen mijn celgenoot en twee van de overvallers, die op mij wezen. De piloot legde uit wie ik was, waarop een van hen in het Engels tegen mij zei dat ze mij niet zouden meenemen, omdat ik geen Israëlische militair was. Vanaf dat moment moest ik mijn eigen weg zoeken, zei hij. De commando’s en de bevrijde Israëliërs renden een zijstraatje in en lieten mij moederziel alleen achter in de donkere steeg.

Ik dwaalde op goed geluk verder, maar stuitte voortdurend op dichte deuren, en voor de weinige ramen zaten tralies en luiken. Het metselwerk van de huizen zag er vervallen uit en het pleisterwerk bladderde. Een straathond scharrelde in een hoop vuil en gromde toen ik langs liep. In de verte klonken politiesirenes en ik hoorde rennende voeten naderbij komen vanuit de richting waar we vandaan waren gekomen. Er gleden schaduwen langs de muren in het licht van een straatlantaarn ongeveer honderd meter terug. Er klonk geschreeuw en tweemaal een geweerschot, misschien schoten ze wel op schaduwen.

De schrik sloeg mij om het hart, wat moest ik beginnen? Ik moest daar zo snel mogelijk vandaan, dook ineen en maakte mij uit de voeten, rennend door de wirwar van steegjes, in de hoop dat ik niet in een kringetje liep. Ik sloeg een hoek om, waar een lampje boven een deur brandde. De deur ging plotseling open, kennelijk vanwege het tumult in de verte. Een zwaar opgemaakte vrouw van middelbare leeftijd keek naar buiten, zag mijn doodsangst en mijn gehavende uiterlijk en sprak mij aan in het Arabisch. Ik gebaarde dat ik haar niet verstond, waarop ze overging in gebroken Engels: ‘Police want you?’

Ik knikte.

‘Come, quick!’

De vrouw trok mij snel aan mijn mouw naar binnen en deed de grendels op de deur. Ze ging mij voor in een lange gang, die uitkwam op een zwak verlichte binnenplaats.

* * *

Veel tijd om te piekeren kreeg ik niet, want een paar kilometer voor Bireh Akkar stonden we plotseling stil. Er was een lange file voor ons, en Hasan keek bezorgd naar wat er gebeurde in de verte. Plotseling keek hij ons aan, in de verte wijzend: ‘kataeb, kataeb, go quick!’

‘Kataeb?’ Maryam veerde geschrokken op en keek mij aan. ‘Kataeb is de falange, de maffia. Ze haten alle Palestijnen. We moeten eruit.’

Ik liet het me geen tweemaal zeggen, pakte ons bundeltje en deed de cabinedeur open. We sprongen eruit en doken in de bosjes. Langs de weg verderop klonk geschreeuw.

‘Rennen,’ zei ik, en trok haar aan de hand mee naar de bosrand, twintig meter verder. Er klonk een geweerschot, dat ons gelukkig miste.

We waren tussen de bomen, struikelden door dichte begroeiing omlaag in de richting van het geraas van stromend water. Er was een beekje, we plonsden door het ondiepe water en klommen aan de andere kant weer omhoog. Meer struiken plukten aan onze kleren. Aan de overkant, waar we vandaan waren gekomen, hoorden we mannen roepen en zich door de struiken worstelen. We vonden een plek om ons te verbergen in een klein gat onder een overhangende rots, aan het zicht onttrokken door dicht struikgewas. Ik duwde Maryam in de verste hoek, ging voor haar liggen en trok een afgevallen tak over ons heen. Ik hoorde het hijgen van haar gejaagde ademhaling, haar arm ging om mij heen, ik voelde het bonzen van haar hart tegen mijn rug.


1980




Ik legde ons weer op koers en maakte een aantekening in het wachtboek. Om tien uur deed ik de meteowaarneming: wind, zee, deining, wolkendek, temperatuur, dauwpunt, luchtdruk. De zon liet zich niet zien. De routine van de zeewacht ging verder. Ik pakte een paar kaarten uit de la in de kaartenkamer, en tussen het uitkijken door, met af en toe een blik op de radar, tekende ik de laatste wijzigingen in de kaart. Met inkt voor de permanente correcties, met potlood voor de tijdelijke.

De hallucinatie van de 'Oostkerk' kwam weer terug, ik moest me concentreren. Moest.

Om halfelf kwam de ouwe boven. ‘Morgen, Nick. Hoe gaat het hier?’

‘Beetje knobbelig, kapitein. Af en toe wat water over dek, maar het lijkt niet slechter te worden dan vanochtend vroeg.’

‘We houden die negentig klappen toch maar even aan, als we gaan opvoeren krijgen we extra op onze donder.’

‘Ja, veel meer kunnen we niet hebben vrees ik.’

‘De eerste stuurman zei dat je vanmorgen je telefoon niet hoorde. Hij had de uitkijk gestuurd om je te porren, maar die kon je niet wakker krijgen.’

‘Ik heb nachtmerries, kapitein. Ik slaap dan door alles heen, maar ik schijn alles bij elkaar te schreeuwen.’

‘Heeft het te maken met die toestand van zes jaar geleden?’

‘Het lijkt erop. Het lijkt wel of ik er steeds meer last van krijg. Ik heb ook hallucinaties.’

Toen ik mijn voorganger op deze boot afloste, had de ouwe mij gezegd dat hij Van de Merwe goed kende, de gezagvoerder van mijn eerste reis, die als gevolg van zijn verwondingen was afgekeurd en nu hoofd van de Nautische Dienst was geworden. Die had hem ingelicht over wat we hadden meegemaakt op die verschrikkelijke ochtend in Latakia. Hij had er mij over verteld, en als ik behoefte had om er met hem over te praten moest ik niet aarzelen, had hij gezegd.

Misschien was dit wel het moment.

* * *

Het vliegtuig van Middle East Airlines zette de landing in op het vliegveld van Beiroet. We vlogen laag over West-Beiroet, de zee aan de rechterkant, en ik was verbaasd over de verwoesting die ik onder mij zag, ingestorte en uitgebrande gebouwen, puinhopen in de straten, zelfs tanks en pantserwagens. Opeens klonken een paar klappen tegen de zijkant van het vliegtuig alsof er stenen tegenaan vlogen, de piloot gaf volgas en draaide steil weg over zee.

‘Ladies and gentlemen, we hebben te maken met een veiligheidsprobleem en moeten uitwijken. We gaan het vliegveld van de andere kant naderen. Please be calm, er is geen gevaar, het vliegtuig is intact,’ klonk het over de intercom.

Een veiligheidsprobleem? Dat begon al goed… we werden gewaarschuwd om ons voor te bereiden op een harde landing, omdat we nu met de wind mee moesten landen vanuit het zuiden.

De landing was knap ruw, zoals voorspeld. We stuiterden over de baan en ik hoorde een knal van het rechter landingsgestel. Ik zat bij het raam en zag een band aan flarden gaan. De piloot gaf vol tegengas en we stopten veilig, tweehonderd meter van het einde van de baan. Het Libanese leger stelde zich op rondom het vliegtuig. Na een halfuur werd er een trap naar het vliegtuig gereden en verschenen er een paar bussen om ons naar de terminal te brengen. Toen ik de trap af kwam met mijn handbagage, keek ik opzij. Er zat een onschuldig uitziende rij gaatjes in de romp. Er was op ons geschoten, kennelijk door een mafkees met een klein kaliber wapen. Dat de kogels er niet dwars doorheen waren gegaan, was een wonder.

Welkom in Beiroet.

Een taxi bracht mij naar een goedkoop hotel in de oostelijke sector, waar ik zou logeren tijdens mijn sollicitatie naar een tijdelijke logistieke functie bij het plaatselijke Field Office van de UNRWA.

Die nacht hoorde ik geweervuur en explosies uit het westen van de stad. De slaap wilde niet komen.

* * *

Beiroet in 1973, vóór de burgeroorlog

 

Het vervoer van hulpgoederen was niet ongevaarlijk. Een voorbeeld daarvan was een vrachtwagen, die aankwam met kogelgaten in de cabine. De chauffeur was zich lam geschrokken toen er van achteren met een automatisch wapen op hem geschoten was. Hij had volgas gegeven en was er als een haas vandoor gegaan. Gelukkig had zijn lading bouwblokken de meeste kogels tegengehouden en waren zijn banden heel gebleven. Hij was langs een sjiitisch dorp gereden, waar onlangs Iraanse oproerkraaiers bleken te zijn gearriveerd om de plaatselijke militie te trainen. Ze hadden kennelijk uit balorigheid zijn vrachtwagen gebruikt als schietschijf. Met Iraanse infiltranten kregen we steeds vaker te maken na de revolte in Teheran, nog geen jaar eerder. We stippelden een andere route voor de vrachtwagens uit, die langer was, maar veiliger. Het verkennen van veilige routes voor de aanvoer van levensmiddelen en bouwmaterialen werd onze eerste prioriteit.

Zelfs het rondrijden in een witte auto met grote letters UN op de zijkant en een blauwe vlag aan de antenne bleek niet altijd veilig: eenmaal werd ik vanuit een huis ergens langs de weg beschoten. Aan het Libanese leger van de regering-Gemayel hadden we niets, die waren op de hand van de Maronieten en kwamen alleen de kazerne uit als er geschoten was door de Palestijnen of Amal.

Het bevoorraden van het Mar Elias kamp in West-Beiroet was een hachelijke onderneming. West-Beiroet was een enclave gedomineerd door de PLO, die ook wel bekend stond als de Fakhani-republiek naar de wijk waar de PLO was gevestigd, maar Mar Elias had een voornamelijk christelijke bevolking. Het werd bewaakt door falangisten, die de Palestijnen op afstand probeerden te houden. Voorbij de ‘groene lijn’, de Damascusstraat die de oostelijke sector van de westelijke scheidde, lagen de straten grotendeels in puin, dus je moest om de bergen stenen heen rijden. Onze vrachtwagens moesten er niet stuiten op een hindernis, want die plekken waren een geliefde locatie voor sluipschutters, die op de loer lagen langs de aanvoerroute.

 Als je er stilstond had je grote kans dat je onder vuur genomen werd. Eenmaal werd er een chauffeur onderweg doodgeschoten, met als gevolg dat zijn transportbedrijf er de brui aan gaf. Uiteindelijk schroefden we dikke staalplaten op de cabinedeuren, wit geschilderd met de letters UN erop, zodat de mannen hopelijk van opzij enige bescherming hadden.

Ik was eenmaal naar Mar Elias geweest, en daar wil ik liever niet aan herinnerd worden. Onderweg viel er een zware raket op een gebouw niet meer dan tweehonderd meter verderop. Het gebouw stortte in; een minuut later en we waren zo plat als een dubbeltje geweest. De straat was geblokkeerd door het puin, dus we keerden bliksemsnel om en smeerden hem, voordat we werden beschoten.

* * *

Tijdens de derde retourreis naar Beiroet die we maakten met de Aizdihar, werden we aangehouden door een Israëlische patrouilleboot. We waren juist vanuit Beiroet vertrokken en op de thuisreis, toen ze vanuit het zuiden kwamen aanrazen, met minstens dertig knopen en een grote witte boeggolf. We kregen vlak buiten de haven via de megafoon in het Arabisch de opdracht om te stoppen en te wachten op een enterploeg.

‘Stop maar liever,’ zei ik tegen Hakim, die de motor op stop zette. We vielen dwars en begonnen te slingeren op de golven van de Israëlische boot, die langszij was gekomen en met een rubber stootrand tegen ons aan klapte.

Ze kwamen aan boord, vier man sterk, tot de tanden gewapend, Davidsster op de mouw, helmen, scherfvesten, zonnebrillen, portofoons en een houding van ‘wie doet ons wat’.

‘Papieren,’ commandeerde de sergeant die de ploeg aanvoerde, in het Arabisch.

‘Papieren, alstublieft, bedoelt u zeker,’ antwoordde ik in het Engels. Ik trok mijn identiteitskaart van de UNRWA. ‘U hindert een humanitair charterschip van de Verenigde Naties, in Libanese wateren. Wie voor de donder zijn jullie?’

Ze deinsden een beetje terug. Ze hadden een Libanese schipper verwacht, niet een buitenlander die een even grote mond teruggaf.

‘Wij zijn volledig bevoegd verklaard door de Libanese regering.’

‘Alleen voor wateren bezuiden Tyrus,’ antwoordde ik kalm. ‘Hier hebt u niets te zoeken. Wilt u dat uw afgevaardigde bij de VN op het matje wordt geroepen?’

‘Desondanks willen wij weten, wat u uitvoert.’

‘Ik spreek wel met uw commandant. Hij is van harte welkom voor een gesprek.’

De sergeant sprak in zijn portofoon. Het antwoord liet niet lang op zich wachten. Ik werd in de boeien geslagen en afgevoerd naar de Israëlische patrouilleboot. Daar werd ik in een hut gezet met een gewapende kerel bij de deur, die mij bekeek als de eerste de beste terrorist. We voeren een tijdlang langzaam naar het zuiden, daarna lagen we een moment stil totdat ik de motoren hoorde brullen en we er met een dertigmijlsvaart vandoor stoven.

Tegen de avond kwam de boot binnen in de marinehaven van Haifa. Daar werd ik in een politiewagen gegooid, afgevoerd naar wat een politiebureau leek en in een kamer gezet.

Er kwam een man in burger binnen, die achter de tafel ging zitten en mij zwijgend aankeek.

* * *

 Zoals gezegd: de Nederlandse editie zal vermoedelijk verschijnen in oktober. Maar als u ook graag Engels leest: de Engelse editie (Contested Land) is inmiddels uitgegeven op het digitale platform Bookmundo, en te bestellen via mijn website, als paperback zowel als e-book.

 

donderdag 22 januari 2026

Quo usque tandem

Parallellen met het oude Rome

Ik ben voor het leven getekend door het Latijn, Oudgrieks en de klassieke geschiedenis die ik op school heb geleerd. Je kunt het een bevoorrechte opleiding noemen, en ik moet mijn ouders dankbaar zijn dat ze me daarheen hebben gestuurd. Hoewel ik niet naar de universiteit ben gegaan maar naar zee, heeft het mij mijn gevoel voor talen gestimuleerd en een brede horizon gegeven, inclusief een onverzadigbare interesse in geschiedenis.

Ik ben niet de eerste die de parallellen ziet tussen Donald Trump en een grillige Romeinse keizer. Zoek op internet naar die naamcombinatie en je vindt talloze verwijzingen, zoals deze. Ik had een verhandeling voorbereid over Trump en de Romeinse keizers Caligula en Nero, maar eerlijk gezegd ben ik zo klaar met zijn hatelijke gezicht in de media, dat ik er misschien maar beter mee kan stoppen.



 https://claridadpuertorico.com/caligula-trump-y-el-premio-nobel/


Laat me daarom iets schrijven over het oude Rome, een paar parallellen aangeven en u uw eigen conclusies laten trekken.


De Romeinse Republiek en een verloren verkiezing


Rome werd gesticht rond 753 v.Chr. en bestond aanvankelijk uit een paar nederzettingen rond de Palatijnse heuvel en het omliggende landbouwgebied in een regio genaamd Latium. De eerste 250 jaar was het een koninkrijk, een periode waarin de fundamenten werden gelegd voor de latere republiek en de nederzetting zich ontwikkelde tot een grote stad. De laatste koning van Rome was Tarquinius Superbus, die als een tiran regeerde. Volgens het Wikipedia-artikel staat Tarquinius' bewind bekend om zijn gebruik van geweld en intimidatie om de bevolking onder de duim te houden, en zijn minachting voor de Romeinse traditie en de Senaat. In de hedendaagse context klinkt het u misschien bekend in de oren.


Nadat Tarquinius was afgezet, namen de Senaat en haar gekozen leiders, de consuls, de macht over. Het is onmogelijk om in een paar regels de complexiteit van de Romeinse Republiek, de klassenmaatschappij die Rome was en het ingewikkelde politieke systeem te beschrijven. De Republiek was in feite een gekozen oligarchie, waar machtige families de belangrijkste posities bekleedden. Ze verkeerde in een permanente staat van oorlog met haar buren op het Italiaanse schiereiland en met alle andere landen rond de Middellandse Zee. De politiek binnen de republiek had gewelddadige trekken: invloedrijke politici schroomden niet om met behulp van gewapende bendes hun tegenstanders uit te schakelen of het volk te manipuleren.


Het verhaal van Rome aan het einde van de Republiek is op bewonderenswaardige wijze beschreven door Colleen McCullough, die de periode van Gaius Marius (ook al zo’n schurk) tot aan keizer Augustus diepgaand heeft bestudeerd.


Catilina en de verkiezing van 63 v.Chr.


Tijdens de laatste jaren van de republiek probeerde een senator genaamd Lucius Sergius Catilina de consuls en de senaat omver te werpen. Een van de gekozen consuls, Marcus Tullius Cicero, een beroemd redenaar, confronteerde hem in de senaat. Het Wikipedia-artikel over Catilina zegt het volgende (vertaald):


De eerste toespraak werd gehouden in de senaat, waar Cicero een senator, Catilina, beschuldigde van het leiden van een complot om de republiek omver te werpen; als reactie daarop trok Catilina zich terug uit de stad en sloot zich aan bij een opstand in Etrurië. De volgende twee toespraken werden voor het volk gehouden, waarin Cicero zijn acties rechtvaardigde en verder nieuws over de samenzwering vertelde...


Cicero beschuldigt Catilina in 63 v.Chr.

Cesare Maccari from Instagram, via Wikipedia



Het draaide allemaal om een ​​verkiezingskwestie - in 63 v.Chr. had Catilina zich met een populistisch programma kandidaat gesteld als consul, maar was verslagen door Cicero, waarop hij de uitslag niet erkende (niets nieuws onder de zon!). Volgens de overlevering probeerde hij het jaar daarop de Republiek omver te werpen. Hij werd gedood tijdens een gewapende confrontatie in januari 62 v.Chr. (merk op dat de jaartallen v.Chr. achterstevoren lopen).


De naam Catilina werd synoniem met verraderlijke rebellie. Gaius Sallustius Crispus beschrijft Catilina in zijn werk over de samenzwering (Bellum Catilinae) als een voorbeeld van het morele verval van de Republiek, niet alleen als dader, maar ook als slachtoffer van intriges, waarmee hij wellicht eerder het systeem dan de persoon zelf de schuld geeft.


Quo usque tandem


Jaren geleden, toen een van mijn zoons een klassieke opleiding had afgerond die vergelijkbaar was met de mijne, organiseerde de school een excursie naar Rome voor geïnteresseerde ouders. Enkele leraren begeleidden ons en gaven ons een fantastische, diepgaande uitleg over het oude Rome. Het meest hilarische moment was toen een van hen, met de groep verzameld in de Curia, het gerestaureerde Senaatsgebouw op het Forum, Marcus Tullius Cicero imiteerde en de eerste regel van zijn rede tegen Catilina brulde:


“Quo usque tandem, Catilina, abuteris patientia nostra?”





Het galmde door het hele gebouw, maar de bewakers moeten van tevoren gewaarschuwd zijn, want we werden niet gearresteerd. Hier volgen de volledige openingsregels van de rede tegen Catilina van Cicero uit 63 v.Chr.:


Quo usque tandem abutere, Catilina, patientia nostra?

Quam diu etiam furor iste tuus nos eludet?

Quem ad finem sese effrenata iactabit audacia?


Hoe lang nog, Catilina, zul je ons geduld misbruiken?

Hoe lang zal die waanzin van jou ons nog blijven bespotten?

Wanneer komt er een einde aan die ongebreidelde arrogantie?


Waanzinnige keizers


Het Romeinse keizerrijk begon feitelijk met de geadopteerde zoon van dictator Gaius Julius Caesar, een man genaamd Gaius Octavius, ook bekend als Augustus, die de machtsstrijd won na de moord op Caesar in 44 v.Chr. en de Juliaans-Claudische dynastie van Romeinse keizers stichtte.


Een heel leesbaar verhaal over de Romeinse keizers is het boek I, Claudius van Robert Graves, en het tweede deel Claudius the God


De keizers die Augustus in de eerste eeuw na Christus opvolgden (Tiberius, Caligula, Claudius en Nero) leden aan de waanzin die eigen is aan absolute macht. Caligula had the motto oderint dum metuant - laat ze mij maar haten als ze mij maar vrezen. Nou, zo ken ik er nog wel een paar. 

 

Caligula

source: https://en.wikipedia.org/wiki/Ny_Carlsberg_Glyptotek


 

Van hem wordt gezegd dat hij zijn paard Incitatus tot consul benoemde, omdat hij de macht daartoe had, en daarmee tevens de Senaat en het ambt van consul als nutteloze instellingen bespotte. DOGE avant la lettre? En Nero was na de dood van zijn moeder Agrippina, die hem nog een beetje aan de ketting had gehouden, vatbaar voor buitensporige vleierij. Een eeuw eerder probeerde Catilina een verkiezing terug te draaien door middel van een opstand. Gooi Tarquinius, Catilina en de waanzinnige keizers allemaal bij elkaar, en je krijgt... precies, Donald Trump!


Ik weet niet wat Trump drijft en ik denk dat ik het ook niet wil weten. In één jaar tijd bombardeerde hij acht landen op drie continenten, gooide hij zijn net uit naar Venezuela, Groenland en Mauritius en wie zich tegen hem verzet, chanteert hij met importheffingen. Zijn laatste bedenksels zijn Noorwegen de schuld te geven dat ze hem de Nobelprijs voor de Vrede niet hebben toegekend (waar Noorwegen geen enkele invloed op heeft), en de EU te laten lijden omdat ze Groenland niet willen afgestaan. Ira principis mors est - de toorn van de koning betekent de dood. Niet letterlijk, hoop ik.


Quo usque tandem, Donald, abuteris patientia nostra?


Sallustius lijkt te impliceren dat Catilina niet alleen als dader moet worden gezien, maar ook als exponent van het systeem. Dat geldt evenzeer voor de Verenigde Staten. Kijkend naar het rommelige kiesstelsel en de bijna Romeinse gevoeligheid ervan voor geld en power play, is het niet verbazingwekkend dat er driemaal op rij presidenten zijn verkozen met twijfelachtige capaciteiten: eenmaal Trump, waarover ik al genoeg heb gezegd, eenmaal Joe Biden, die door zijn hoge leeftijd niet meer op zijn best was, en nu weer Trump.


Eén jaar voorbij, nog drie te gaan in deze perfecte storm, hopend dat hij ons niet allemaal te gronde richt. En de man in de coulissen die we in de gaten moeten houden, is J.D.Vance.




woensdag 24 december 2025

Kerstnacht op zee

Is er nog hoop? Vorige week zat ik bij een kerstconcert met een koor en een koperensemble. De muziek was prachtig, maar ik kon er niet echt van genieten met het beeld voor ogen van de kindertjes in Gaza. Is er nog hoop voor hen, hongerig en koud in lekkende tenten, met dank aan een bezetter die nog steeds aan de lopende band oorlogsmisdaden pleegt? Het ‘bestand’ is een dode letter. Is er nog hoop voor Oekraïne, waar een andere schurkenstaat de bevolking terroriseert door in de winterkou de energievoorziening te bombarderen, of voor de mensen in Soedan en Oost-Congo, wie de wereld de rug heeft toegekeerd?

Overstroomde tenten in Gaza, december 2025. Bron: CNN

Geen vrede op aarde dus. Evenals vorig jaar had ik de grootste moeite om iets te schrijven vol hoop. Totdat ik mij een kustreis op zee herinnerde, midden in de winter in de Duitse Bocht, vijftig jaar geleden. Met een klein stukje fictie erbij werd het toch nog een kerstverhaal.

De ster

Het is vijf uur, Kerstavond 1975 in de Kaiser-Wilhelm-Hafen in Hamburg. Het laden is gedaan, de walkranen zijn verlaten en staan als stille schildwachten op een rij langs de donkere kade. Hier en daar is een schijnwerper aan langs de pakhuizen. Het vriest, er zit sneeuw in de lucht en de wind zit in het noordwesten, kracht zeven of acht met geniepige vlagen die je tot op het bot verkillen. Ik ben nog maar een uur aan dek, maar mijn tenen voel ik al niet meer.

Ik ga de ruimen langs terwijl de bootsman met twee man bezig is de luiken dicht te trekken. De zware stalen pontons kantelen dreunend over het luikhoofd en rollen op hun plaats, alle met kettingen aan hun voorganger bevestigd. Anderen zijn bezig de laadbomen te strijken. 

Tegen alle verwachting in zullen we in Bremerhaven met Kerstmis binnen liggen. Een vrije dag voor de hele bemanning. Ik verkneukel me al bij het vooruitzicht van het feestmaal morgenavond. Maar het stukje buitenom varen van de Elbe naar de Weser voorspelt weinig goeds, er zal bij deze wind buitengaats deining staan, net waar die de razende eb vanuit de Elbe ontmoet en korter en hoger wordt. De bootsman heeft de lading in de ruimen al gestut.


De loods is besteld voor zeven uur. Ik ga snel eten voordat ik de brug vaarklaar moet maken, trek over mijn coltrui de battledress weer aan, op de schouders de smalle gouden krul van een vierde stuurman, de laagste in rang aan boord. Het is inmiddels zes uur, ik ga naar boven, controleer de navigatielichten, de luchthoorn in de voormast en de kompassen, ik zet de radar aan en leg de havenkaart klaar voorin het stuurhuis. Ik bel naar beneden om de machinetelegraaf te testen. De wijzer volgt wat ik op de telegraaf aanvraag, alles in orde. 

De ouwe komt boven en bestudeert de kaarten, dan de eerste stuurman. De ouwe kijkt mij aan. ‘Ampat, haal jij de loods af bij de valreep? Hij is onderweg.’ Ampat is Maleis voor Vierde, de gebruikelijke aanspreektitel voor de vierde stuurman bij een rederij die zijn wortels heeft in de vaart op Indonesië.

‘Jazeker, kapitein.’ Ik loop naar beneden en wacht, mijn voeten stampend tegen de kou. Een taxi verschijnt op de kade, een man in burger met een aktetas en een Duitse schipperspet stapt uit en komt de valreep op.

Guten Abend, Herr Lotse.

Guten Abend, Steuermann. Zeigen Sie mir den Weg, bitte.

Twee man halen de valreep omhoog, wij gaan de trappen op naar het brugdek. Intussen klinkt binnen de roep ‘voor-en-achter, voor-en-achter.’ De derde stuurman komt naar beneden rennen, portofoon in de hand. Bovengekomen zie ik op het inktzwarte water de lichtjes van de sleepboten die waren besteld. De derde en zijn meerploeg spoeden zich naar voren, de tweede naar achter.

De eerste stuurman geeft door de portofoon opdracht om ‘op te korten’ - alle extra trossen worden weggehaald totdat we voor en achter alleen op een tros en een spring liggen. De sleepboten maken vast. De wind drukt ons tegen de wal, de koude tocht kruipt mijn broekspijpen in terwijl ik op mijn plek sta bij de telegraaf.

Vorne und hinten los,’ zegt de loods op de brugvleugel tegen de eerste stuurman. Hij praat tegen de sleepboten door zijn portofoon, die zetten voorzichtig de sleeptrossen stijf terwijl de bemanning de laatste trossen en springen weghaalt. De sleepboten trekken ons van de wal, langzaam wijken de donkere havenkranen terug.

Maschine stand-by bitte,’ zegt de loods.

Stand-by,’ antwoord ik, zet de telegraaf op standby. De machinekamer antwoordt.

Langsam voraus.

Langsam voraus.’ Ik zet de telegraaf in de juiste stand, hoor door de open deur vanuit de schoorsteen het knallen van de perslucht waarmee de machine wordt gestart. Ik kijk naar de slagenteller boven het middelste raam, die draait gehoorzaam naar rechts op vijfenveertig omwentelingen. We kruipen naar voren.

Een kwartier later zijn we op de rivier, de sleepboten zijn los, het is hoogwater en zo direct loopt de eb. Het is acht uur, de ouwe kijkt mij aan. ‘Ampat, ga jij maar pitten. Je moet om middernacht op, samen met de Tweede.’

Ik wens iedereen goede wacht en zoek mijn hut op. Slapen lukt mij nooit, zo vroeg op de avond, maar na een uurtje woelen ben ik toch onder zeil… 

…De telefoon gaat, indringend en niet te negeren. Ik klauter verdwaasd in het pikdonker uit mijn kooi. De telefoon gaat weer, ik doe een lampje aan. 

‘Vierde stuurman.’

Het is de ouwe. ‘Ampat, het is kwart voor twaalf. Kom je naar boven?’

‘Aye aye, kapitein.’ Even het toilet opzoeken, tandenpoetsen, in de kleren en naar boven. De deur van de hut blijft open, zoals altijd op zee.

In de kaartenkamer laat ik even mijn ogen wennen aan het donker. Er is alleen een rood lichtje aan boven de kaartentafel. De koffie in de kan stinkt, die staat al uren op te warmen en lijkt nu op vloeibaar asfalt. Brrr. Ik doe de deur naar het stuurhuis open. Het is aardedonker, de lichtjes van de slagenteller en het stuurkompas zijn gedimd. Vaag kan ik schimmen ontwaren van de mensen op de brug. Het schip stampt een beetje, er komt al deining van zee. Het is stervenskoud.

‘Vrolijk Kerstfeest, ampat.’

‘Vrolijk Kerstfeest, kapitein.’

‘We zijn dwars van Neuwerk. De loods gaat zo van boord, we hebben al vaart geminderd,’ zegt de derde stuurman tegen mij. ‘De loodsboot wacht stuurboord vooruit, de loodsladder hangt klaar. Breng jij hem zo direct weg? Nog tien minuten.’

Een kwartier later liggen we gestopt na het afzetten van de Elbeloods. De loods voor de Weser klimt aan boord, ik geef hem een hand bij het overstappen over de reling. Het is middernacht geweest, de kerstnacht is begonnen.

Frohe Weihnachten, Steuermann.’

Frohe Weihnachten, Herr Lotse.’

De ouwe nodigt hem uit voor koffie in zijn hut, dus het komende uur hebben de Tweede en ik het rijk alleen. We varen weer, draaien naar bakboord in de richting van de uiterton van de Alte Weser en beginnen dwars op de deining ongenadig te slingeren. Alles rammelt en kraakt, de zeekaart glijdt van het tafeltje in het stuurhuis. Het is ijzig, ver weg op zee zit volgens de radar een sneeuwbui. 

Ik kijk naar bakboord, op zoek naar de vuurtoren van Neuwerk voor een zichtpeiling. Dan breekt opeens het wolkendek open in het zuidoosten. 



Laag boven de horizon priemt een felle ster onder de wolken door: Sirius, de helderste ster aan het firmament. Alsof het van hogerhand verordonneerd is, blijft hij minutenlang zichtbaar, zo helder dat ik de weerschijn zie, een brede baan van licht op de golven. Wat nu nog ontbreekt is de zingende engelen.

De wacht gaat verder, de Tweede heeft een blik snert en een pannetje geregeld bij de hofmeester. De soep gaat in de pan en we verwarmen hem op het kookplaatje in de kaartenkamer. Drie mokken en lepels komen tevoorschijn. Pedro, de Spaanse uitkijk, komt even binnen. 

Feliz Navidad, Pedro.’

‘Feliz Navidad, Mr Mate.’

Gezamenlijk eten we warme erwtensoep en roggebrood met spek. ‘Snert met drijfijs,’ zeg ik, een marineterm van mijn vader, in een poging een geintje te maken. Niemand lacht, maar de snert smaakt prima. Langzaam ontdooien we.

We wijken uit voor een coaster, rollend als een varken op de deining. Na een halfuurtje komen de kapitein en de loods naar boven. De ouwe snuift de geur van de snert op. ‘Hmm,’ zegt hij, ‘ik zou ook wel soep lusten.’ Gelukkig is er nog een tweede blik in de kast in de kaartenkamer. Ik haal extra bestek uit de salon op het sloependek. Beneden lijkt het slingeren wel sterker, ik zie het televisietoestel balanceren op de rand van een kast in de salon en til het omlaag, zodat het er niet af kiepert. Teruggekomen op de brug maak ik soep voor de ouwe en de loods.

vuurtoren Alte Weser

Het is twee uur in de ochtend als we de vuurtoren Alte Weser passeren, op weg naar Bremerhaven. De zeegang is afgenomen, over een paar uur zullen we afmeren, bij uitzondering op een feestdag in de haven.

In Bremerhaven blijkt alsnog lading in het tussendek van ruim 5 omgevallen te zijn. 

——

Dit is een verhaal over de zeevaart van een halve eeuw geleden. Maar misschien is het herkenbaar voor wie nu op zee zit. Mocht u dit lezen, ten anker of onderweg, dan wens ik u een behouden vaart en een prettige kerst.