dinsdag 19 mei 2026

Hij weeft zijn web. Of zij?

Over spinnen, weven en verhalen vertellen


Als het over spinnen gaat, moet ik eigenlijk schrijven ‘zij weeft haar web’, want de meeste spinnen die in de natuur levend de herfst halen zijn vrouwen. Meneer worden namelijk door mevrouw opgegeten na de vrijage. In de spinnenwereld gaat de liefde van de vrouw dus letterlijk door de maag, en niet andersom.


In de West-Afrikaanse (en Surinaamse) cultuur is de spin Anansi een man. Hij heet Kwaku Anansi, een man geboren op woensdag, en in het Twi, de taal van de Akan-volken, betekent het woord Anansi letterlijk ‘spin’.


Anansi daalt af aan zijn spindraad


In de verschrikkelijke wereld van vandaag, geteisterd door machtswellust, ongelijkheid, onderdrukking, oorlog en genocide, is het soms goed om terug te keren naar een ontspannen thema en je te verbazen over de parallellen die bestaan tussen culturen. Vorige week heb ik weer een lezing mogen gegeven over de rol van de spin Anansi in de Afrikaanse, Surinaamse en Caribische volksverhalen, die zo’n belangrijke rol spelen in mijn boek met dezelfde titel.


Ovidius en Arachne


Waar het spinnen betreft, vond ik een parallel tussen de Afrikaanse en de Grieks-Romeinse mythologie. Zo bezocht ik onlangs de expositie over Ovidius’ Metamorphosen in het Rijksmuseum in Amsterdam, tezamen met andere leden van de leeskring Latijn, waar ik al jaren aan deelneem onder de bezielende leiding van onze docent. 

 

Ovidius (bron: Wikipedia)

 

Publius Ovidius Naso was een Romeinse dichter ten tijde van Augustus, die in zijn uitgebreide werk een groot aantal verhalen uit de Griekse en Romeinse mythologie beschreef waarin raadselachtige transformaties van mensen in dieren, planten en voorwerpen plaatsvinden. Vaak zit er in zijn verhalen een moraal verborgen over de gevolgen van overmoed (hubris) of andere menselijke misstappen. Indirect neemt Ovidius, ondanks zijn eigen flamboyante levensstijl, ook de verdorven Romeinse elite op de korrel. Tot aan de keizerlijke familie toe, wat uiteindelijk zou resulteren in zijn verbanning naar een afgelegen oord aan de Zwarte Zee. Ook in die tijd stoorde de gewone man zich al aan de uitspattingen van de superrijken…

 

Minerva verandert Arachne in een spin. 

bron: Wikipedia


Een van de verhalen in de Metamorphosen beschrijft de overmoed van de weefster Arachne, een jonge vrouw die de euvele moed heeft om de godin Minerva (Athene in het Griekse godenrijk) uit te dagen tot een wedstrijd. Ook Minerva kan goed weven, maar achter het weefgetouw delft zij het onderspit tegen het werk van Arachne, en het weefsel van Arachne vertelt een verhaal dat Minerva bespot. Minerva wordt razend, slaat Arachne driemaal met haar weefspoel op het hoofd en spreekt een vloek over haar uit, waardoor ze verandert in een spin, die gedoemd is tot in lengte van dagen een web te weven. Alle spinnen zijn nu lid van de entomologische familie Arachnida. 


Ik vermoed dat het verhaal van Arachne, net als andere verhalen uit de Grieks-Romeinse mythologie, een oeroud volksverhaal is waarvan de oorsprong veel verder teruggaat dan de geschreven geschiedenis. De spintol schijnt 7000 jaar en het weefgetouw 5000 jaar geleden te zijn uitgevonden, maar in Georgië is gekleurd vlasdraad van 34.000 jaar oud gevonden, dat misschien al gebruikt werd om mee te weven of breien. En ongetwijfeld werden in de prehistorie al volop verhalen verteld bij een kookvuurtje, of tijdens het spinnen en weven.


Anansi


Dat is zeker het geval bij Anansi, een lagere godheid in de Akan-mythologie, de zoon van Asaase (moeder Aarde), die volgens de legende aan zijn spindraad afdaalt naar de aarde als boodschapper van de goden. Asaase is mogelijk verwant aan de Egyptische godin Isis, die evenals zij de belichaming van de levenscyclus is en de beschermster van de overledenen. Isis werd van oorsprong vereerd in Egypte en Nubië, en de Akan zijn waarschijnlijk vanuit het Nijldal naar West-Afrika gemigreerd.

 

Anansi, weergegeven door een |Ashanti-masker (foto: auteur)


Anansi is in de Afrikaanse cultuur niet alleen een godheid, maar ook een verhalenverteller, de boodschapper die je niet altijd kunt vertrouwen omdat hij je ook leugens vertelt. Hij weeft met zijn spindraad soms een web van leugens, waar je niet meer doorheen kunt kijken. In het Engels bestaat niet voor niets de uitdrukking ‘spinning someone a tale’, ofwel iemand iets op de mouw spelden. En ‘spin doctors’ zijn professionele leugenaars in dienst van politici. Aan de andere kant is er ook het gezegde ‘spinning a yarn’, ofwel een lang en fantastisch verhaal vertellen, dat niet noodzakelijk een leugen is.


Zeg het met doeken


Er zijn meer verbanden tussen vertellingen, spinnen en weven. Ons woord ‘textiel’ heeft dezelfde oorsprong als het woord ‘tekst’ (het Latijnse woord textilis, ‘geweven’). In Afrika bestaat nog steeds een rijke verteltraditie, die met de eeuwenlange slavenhandel ook naar Amerika en het Caribisch gebied is gereisd. Op de plantages, waar de kolonisten de waardigheid en de cultuur van de uit Afrika geroofde mensen onderdrukten, ging de verteltraditie ‘ondergronds’ en kreeg daarmee de rol van stil verzet. 

 

Kente, doek gemaakt in Ghana (foto: auteur)


Niet alleen de verhalen, maar ook de traditionele weefsels in Afrika hebben een betekenis. Zo hebben de kleurrijke patronen in de Kente van de Akan-volken zeggingskracht. Kente wordt geweven in lange smalle stroken, die aan elkaar worden genaaid tot een kleed. Elk patroon in Kente heeft een betekenis.


De traditie om met textiel iets te zeggen is ook elders aanwezig, bijvoorbeeld bij de Marrons in Suriname, waar een vrouw bij haar huwelijk van haar echtgenoot een rol blanco katoen krijgt, waarop zij vervolgens figuren en patronen borduurt die ook weer een betekenis hebben. En ook de angisa, de traditionele hoofdbedekking van een Surinaamse vrouw, vertelt een verhaal. Met kleuren en manier van vouwen kan zij zonder woorden zeggen hoe haar stemming is, of ze vrolijk is, of ze in de rouw is, en ook of ze een man afwijst of niet. Deze geheimtaal is vermoedelijk ontstaan tijdens de slavernij, toen het de mensen verboden was om zich uit te spreken.


Zo zien we dat tekst en textiel ook hier weer samenkomen: beide kunnen zeggingskracht hebben.

 

Geborduurde doek uit Suriname (foto: auteur)

 

maandag 4 mei 2026

Herdenken en verbinden

Vandaag, 4 mei 2026, is weer de nationale dodenherdenking. 

Ik heb niet zelf de oorlog meegemaakt, maar ben opgegroeid met de verhalen erover.


Vele Nederlanders herdenken vandaag de moordpartij op zes miljoen Europese Joden. Ik las vandaag nog iets over iemand, die geschreven had over de ‘ontruiming’ van het Joodse verpleeghuis in het Apeldoornse Bos in 1943. Mijn moeder werd als jong meisje van zestien door het Nazi-gespuis gedwongen om toe te kijken, hoe de gehandicapte patiënten achterin de vrachtauto’s werden gegooid. Dat beeld spookte op hoge leeftijd nog door haar hoofd. Maar de nationale herdenking is niet alleen voor Joodse slachtoffers, ook al lijkt het soms zo te zijn. 

 

Westerbork

 

Herdenken op je eigen wijze


Iedereen herdenkt op zijn eigen wijze, of misschien ook niet. Zoals ik zes jaar geleden schreef: ik herdenk vooral de vermoorde verzetsvrienden van mijn vader en zijn Joodse buren met jonge kinderen, die ‘s avonds laat uit hun huis in Amsterdam werden gehaald. Mijn vader heeft dat nog beschreven in zijn memoires, hij heeft Miriam, het jongste buurmeisje van zes jaar, nog helpen dragen op weg naar wat het ‘verzamelpunt’ heette.


En ik denk aan de talloze zeevarenden die een vaarplicht hadden en slachtoffer werden van Duitse aanvallen op de geallieerde konvooien. Soms had hun schip een verouderd kanon op het achterdek, bemand met een paar militairen, maar dat hielp niet tegen een torpedo van een U-Boot in de machinekamer. We zien soortgelijke risico’s tegenwoordig in de Straat van Hormuz, waar ik als jongmaatje ettelijke keren doorheen heb mogen varen.

 

 

koopvaardijschip in 1943

Helaas wordt de herdenking steeds meer gepolitiseerd, terwijl die eigenlijk een moment van verbinding zou moeten zijn, niet van polarisatie. Zo was er in afgelopen jaren de rel over de deelname van toenmalig Kamervoorzitter Bosma, een vertegenwoordiger van antidemocratisch gedachtegoed. Ik weet niet wat ik daarvan moet zeggen, ook al stuitte mij de formele deelname van die man tegen de borst. 


Israel, Palestina en verzoening


Ik ben sterk gekant tegen het geweld en de oorlogszucht van de staat Israel en vind dat de Nederlandse politiek nog steeds niets concreets doet om het Israëlische regime onder druk te zetten. Het onderwerp is zo gepolariseerd dat er geen objectief gesprek meer over mogelijk is. En bedenk dat vele Joodse Nederlanders familie hebben in Israel en het niet eerlijk is om hen op de man of vrouw af te vragen wat hun standpunt is over dat land. Ze zullen het zelf al lastig genoeg vinden. 

 

Vanochtend heeft helaas iemand het nationaal monument op de Dam beklad met rode verf. Als je zegt ‘nooit meer is nu’, doelend op de Israëlische genocide op de Palestijnen, bedoel je dat we moeten leren van het verleden. Maar een protest hoort niet thuis op een herdenkingsplaats: dat zal alleen de standpunten verharden. De weg naar ‘nooit meer’ is niet via verdere polarisatie door in protest een monument te bekladden, maar loopt via verzoening. De stap naar vrede en verzoening is de moeilijkste die strijdende partijen kunnen doen, maar de enige die leidt tot een duurzaam resultaat. Helaas zijn we in Palestina nog ver daarvandaan: het besef moet indalen dat daarvoor politieke druk nodig is.

 


 

Een goed voorbeeld hoe dat werkt is de wijze waarop het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime aan zijn eind kwam. Er kwam na jarenlange sancties tegen het land een regime change en een waarheids- en verzoeningscommissie met hoorzittingen, waarin getracht werd de wandaden en het trauma uit het verleden te benoemen en te komen tot een vorm van vergiffenis. Naledi Pandor, voormalig minister van Internationale Betrekkingen van Zuid-Afrika, gaf daarover een indrukwekkend betoog tijdens de Dries van Agt-lezing op 2 februari 2026. Hetzelfde zou moeten gebeuren tussen Israel en Palestina, maar dat lukt alleen onder druk van sancties. Helaas blijven die nog steeds uit.


Een uitspraak van mijn vader, een verzetsman uit Amsterdam die sabotage pleegde, inlichtingen over de bezetter verzamelde en uiteindelijk moest onderduiken, was dat hij geen moeite meer zou hebben met een bakker of kruidenier met een NSB-verleden. Met één restrictie: als ze maar geen publieke functie zouden krijgen. 


Dat is ook een vorm van acceptatie en heling. Tenslotte moet je altijd verder, ook met mensen wier mening of verleden je niet bevalt. 


Ik wens u een vreedzame en rustige herdenking toe.


donderdag 26 maart 2026

Engelse editie Het Betwiste Land gepubliceerd

 Ruim twee jaar geleden, in oktober 2023, schreef ik naar aanleiding van de toen juist losgebarsten vergeldingsoorlog van Israël tegen de bevolking van Gaza, over mijn eigen ervaringen in het Midden-Oosten van vijftig jaar eerder. Ik schreef: Het is bijna een thema voor een nieuw boek. Misschien komt dat er nog een keer. Welnu, het boek is klaar: de Engelse editie Contested Land is vorige maand gepubliceerd op een online platform en het contract met uitgeverij Palmslag voor de Nederlandse editie Het betwiste land  is onlangs getekend: publicatie volgt later dit jaar.

Het betwiste land is ontstaan uit afschuw en verontwaardiging over de Israëlische slachtpartij. Ik heb daar eerder over geschreven in mijn blog. Inmiddels is na de nog immer voortgaande Gaza-oorlog de wereld nog verder op zijn kop gezet door de Amerikaans-Israëlische aanval op Iran, waarbij de Amerikaanse blunders in Irak en Afghanistan vrijwel blindelings worden herhaald. Israël zet de slachtpartij van Gaza nu voort in Libanon, alweer zonder dat de westerse politiek een vinger uitsteekt, vermoedelijk om geopolitieke en ideologische redenen. En ongeacht de schending van het internationaal recht, vinden ze het stilletjes wel handig dat iemand het schurkachtige regime in Iran aanpakt. Totdat we wereldwijd in een recessie terechtkomen, maar dan is het te laat.




Politieke thriller met een boodschap

Ik ben teruggegaan in de tijd om een politieke thriller te schrijven die zich afspeelt in het Midden-Oosten tussen 1973 en 1980. Het is in de eerste plaats een spannend leesboek met een menselijke insteek, maar ook met een achterliggende boodschap omdat ik over de strijdende partijen geen blad voor de mond neem, de Arabische zijde noch Israël.

Anders dan je zou denken, wonen in het Midden-Oosten ook gewone mensen zoals u en ik, die tegen wil en dank worden onderworpen aan het geweld en zich desondanks staande moeten houden. Het betwiste land gaat over gewone mensen, een Nederlandse zeeman, een Israëlische militair en een Palestijnse familie, niet alleen over hun traumatische belevenissen, maar ook over liefde en vriendschap. Het verhaal is fictie, ingebed in historische feiten, en beschrijft tevens de op de achtergrond draaiende diplomatieke en politieke leugenfabriek.

Het onderzoek naar dit beladen onderwerp heeft mij de ogen geopend. Je moet de historische achtergronden van het conflict tussen Israël en Palestina ontrafelen om te begrijpen waar het huidige geweld vandaan komt. Ik heb geprobeerd om door de ideologie heen te prikken die de kwestie vertroebelt, en een eerlijke mening te vormen. Mijn informatie komt uit artikelen op Wikipedia, boeken geschreven door Palestijnen, Libanezen en Nederlandse en Israëlische journalisten en historici, en documentaires over de Israëlische samenleving. Het resultaat van mijn studie was de achtergrond van Het betwiste land. 

De Nederlandse editie zal verschijnen in oktober. Maar als u ook graag Engels leest: de Engelse editie (Contested Land) is inmiddels uitgegeven op het digitale platform Bookmundo, en te bestellen via mijn website, als paperback zowel als e-book.

Voorproefje  

Als voorproefje volgen hier enkele episodes uit de Nederlandse editie.

1973

We renden de gang op, die vol rook stond. Ik struikelde bijna over een lichaam waar ik de bewaker in herkende die mij dagenlang had mishandeld. Hij was morsdood, bloed op zijn gezicht. Verderop zat een groot gat in een muur, waaruit verwrongen stukken betonijzer staken. Binnen lag het vol met betonpuin. De gemaskerde mannen en wij kropen erdoorheen en kwamen uit in een steegje, waar nog meer gemaskerde kerels stonden, tot de tanden gewapend, en een paar gevangenen die dezelfde taal spraken als de overvallers en mijn celgenoot. We gingen in looppas het steegje in, met een achterhoede van twee mannen. Ik was na een maand in de cel niet erg fit meer en kon ze nauwelijks bijhouden.

Het was een labyrint van straatjes en steegjes, een oude Arabische binnenstad, een soek waarin de overvallers kennelijk de weg wisten. Na een minuut of tien hielden we halt en ontstond er een verhitte discussie tussen mijn celgenoot en twee van de overvallers, die op mij wezen. De piloot legde uit wie ik was, waarop een van hen in het Engels tegen mij zei dat ze mij niet zouden meenemen, omdat ik geen Israëlische militair was. Vanaf dat moment moest ik mijn eigen weg zoeken, zei hij. De commando’s en de bevrijde Israëliërs renden een zijstraatje in en lieten mij moederziel alleen achter in de donkere steeg.

Ik dwaalde op goed geluk verder, maar stuitte voortdurend op dichte deuren, en voor de weinige ramen zaten tralies en luiken. Het metselwerk van de huizen zag er vervallen uit en het pleisterwerk bladderde. Een straathond scharrelde in een hoop vuil en gromde toen ik langs liep. In de verte klonken politiesirenes en ik hoorde rennende voeten naderbij komen vanuit de richting waar we vandaan waren gekomen. Er gleden schaduwen langs de muren in het licht van een straatlantaarn ongeveer honderd meter terug. Er klonk geschreeuw en tweemaal een geweerschot, misschien schoten ze wel op schaduwen.

De schrik sloeg mij om het hart, wat moest ik beginnen? Ik moest daar zo snel mogelijk vandaan, dook ineen en maakte mij uit de voeten, rennend door de wirwar van steegjes, in de hoop dat ik niet in een kringetje liep. Ik sloeg een hoek om, waar een lampje boven een deur brandde. De deur ging plotseling open, kennelijk vanwege het tumult in de verte. Een zwaar opgemaakte vrouw van middelbare leeftijd keek naar buiten, zag mijn doodsangst en mijn gehavende uiterlijk en sprak mij aan in het Arabisch. Ik gebaarde dat ik haar niet verstond, waarop ze overging in gebroken Engels: ‘Police want you?’

Ik knikte.

‘Come, quick!’

De vrouw trok mij snel aan mijn mouw naar binnen en deed de grendels op de deur. Ze ging mij voor in een lange gang, die uitkwam op een zwak verlichte binnenplaats.

* * *

Veel tijd om te piekeren kreeg ik niet, want een paar kilometer voor Bireh Akkar stonden we plotseling stil. Er was een lange file voor ons, en Hasan keek bezorgd naar wat er gebeurde in de verte. Plotseling keek hij ons aan, in de verte wijzend: ‘kataeb, kataeb, go quick!’

‘Kataeb?’ Maryam veerde geschrokken op en keek mij aan. ‘Kataeb is de falange, de maffia. Ze haten alle Palestijnen. We moeten eruit.’

Ik liet het me geen tweemaal zeggen, pakte ons bundeltje en deed de cabinedeur open. We sprongen eruit en doken in de bosjes. Langs de weg verderop klonk geschreeuw.

‘Rennen,’ zei ik, en trok haar aan de hand mee naar de bosrand, twintig meter verder. Er klonk een geweerschot, dat ons gelukkig miste.

We waren tussen de bomen, struikelden door dichte begroeiing omlaag in de richting van het geraas van stromend water. Er was een beekje, we plonsden door het ondiepe water en klommen aan de andere kant weer omhoog. Meer struiken plukten aan onze kleren. Aan de overkant, waar we vandaan waren gekomen, hoorden we mannen roepen en zich door de struiken worstelen. We vonden een plek om ons te verbergen in een klein gat onder een overhangende rots, aan het zicht onttrokken door dicht struikgewas. Ik duwde Maryam in de verste hoek, ging voor haar liggen en trok een afgevallen tak over ons heen. Ik hoorde het hijgen van haar gejaagde ademhaling, haar arm ging om mij heen, ik voelde het bonzen van haar hart tegen mijn rug.


1980




Ik legde ons weer op koers en maakte een aantekening in het wachtboek. Om tien uur deed ik de meteowaarneming: wind, zee, deining, wolkendek, temperatuur, dauwpunt, luchtdruk. De zon liet zich niet zien. De routine van de zeewacht ging verder. Ik pakte een paar kaarten uit de la in de kaartenkamer, en tussen het uitkijken door, met af en toe een blik op de radar, tekende ik de laatste wijzigingen in de kaart. Met inkt voor de permanente correcties, met potlood voor de tijdelijke.

De hallucinatie van de 'Oostkerk' kwam weer terug, ik moest me concentreren. Moest.

Om halfelf kwam de ouwe boven. ‘Morgen, Nick. Hoe gaat het hier?’

‘Beetje knobbelig, kapitein. Af en toe wat water over dek, maar het lijkt niet slechter te worden dan vanochtend vroeg.’

‘We houden die negentig klappen toch maar even aan, als we gaan opvoeren krijgen we extra op onze donder.’

‘Ja, veel meer kunnen we niet hebben vrees ik.’

‘De eerste stuurman zei dat je vanmorgen je telefoon niet hoorde. Hij had de uitkijk gestuurd om je te porren, maar die kon je niet wakker krijgen.’

‘Ik heb nachtmerries, kapitein. Ik slaap dan door alles heen, maar ik schijn alles bij elkaar te schreeuwen.’

‘Heeft het te maken met die toestand van zes jaar geleden?’

‘Het lijkt erop. Het lijkt wel of ik er steeds meer last van krijg. Ik heb ook hallucinaties.’

Toen ik mijn voorganger op deze boot afloste, had de ouwe mij gezegd dat hij Van de Merwe goed kende, de gezagvoerder van mijn eerste reis, die als gevolg van zijn verwondingen was afgekeurd en nu hoofd van de Nautische Dienst was geworden. Die had hem ingelicht over wat we hadden meegemaakt op die verschrikkelijke ochtend in Latakia. Hij had er mij over verteld, en als ik behoefte had om er met hem over te praten moest ik niet aarzelen, had hij gezegd.

Misschien was dit wel het moment.

* * *

Het vliegtuig van Middle East Airlines zette de landing in op het vliegveld van Beiroet. We vlogen laag over West-Beiroet, de zee aan de rechterkant, en ik was verbaasd over de verwoesting die ik onder mij zag, ingestorte en uitgebrande gebouwen, puinhopen in de straten, zelfs tanks en pantserwagens. Opeens klonken een paar klappen tegen de zijkant van het vliegtuig alsof er stenen tegenaan vlogen, de piloot gaf volgas en draaide steil weg over zee.

‘Ladies and gentlemen, we hebben te maken met een veiligheidsprobleem en moeten uitwijken. We gaan het vliegveld van de andere kant naderen. Please be calm, er is geen gevaar, het vliegtuig is intact,’ klonk het over de intercom.

Een veiligheidsprobleem? Dat begon al goed… we werden gewaarschuwd om ons voor te bereiden op een harde landing, omdat we nu met de wind mee moesten landen vanuit het zuiden.

De landing was knap ruw, zoals voorspeld. We stuiterden over de baan en ik hoorde een knal van het rechter landingsgestel. Ik zat bij het raam en zag een band aan flarden gaan. De piloot gaf vol tegengas en we stopten veilig, tweehonderd meter van het einde van de baan. Het Libanese leger stelde zich op rondom het vliegtuig. Na een halfuur werd er een trap naar het vliegtuig gereden en verschenen er een paar bussen om ons naar de terminal te brengen. Toen ik de trap af kwam met mijn handbagage, keek ik opzij. Er zat een onschuldig uitziende rij gaatjes in de romp. Er was op ons geschoten, kennelijk door een mafkees met een klein kaliber wapen. Dat de kogels er niet dwars doorheen waren gegaan, was een wonder.

Welkom in Beiroet.

Een taxi bracht mij naar een goedkoop hotel in de oostelijke sector, waar ik zou logeren tijdens mijn sollicitatie naar een tijdelijke logistieke functie bij het plaatselijke Field Office van de UNRWA.

Die nacht hoorde ik geweervuur en explosies uit het westen van de stad. De slaap wilde niet komen.

* * *

Beiroet in 1973, vóór de burgeroorlog

 

Het vervoer van hulpgoederen was niet ongevaarlijk. Een voorbeeld daarvan was een vrachtwagen, die aankwam met kogelgaten in de cabine. De chauffeur was zich lam geschrokken toen er van achteren met een automatisch wapen op hem geschoten was. Hij had volgas gegeven en was er als een haas vandoor gegaan. Gelukkig had zijn lading bouwblokken de meeste kogels tegengehouden en waren zijn banden heel gebleven. Hij was langs een sjiitisch dorp gereden, waar onlangs Iraanse oproerkraaiers bleken te zijn gearriveerd om de plaatselijke militie te trainen. Ze hadden kennelijk uit balorigheid zijn vrachtwagen gebruikt als schietschijf. Met Iraanse infiltranten kregen we steeds vaker te maken na de revolte in Teheran, nog geen jaar eerder. We stippelden een andere route voor de vrachtwagens uit, die langer was, maar veiliger. Het verkennen van veilige routes voor de aanvoer van levensmiddelen en bouwmaterialen werd onze eerste prioriteit.

Zelfs het rondrijden in een witte auto met grote letters UN op de zijkant en een blauwe vlag aan de antenne bleek niet altijd veilig: eenmaal werd ik vanuit een huis ergens langs de weg beschoten. Aan het Libanese leger van de regering-Gemayel hadden we niets, die waren op de hand van de Maronieten en kwamen alleen de kazerne uit als er geschoten was door de Palestijnen of Amal.

Het bevoorraden van het Mar Elias kamp in West-Beiroet was een hachelijke onderneming. West-Beiroet was een enclave gedomineerd door de PLO, die ook wel bekend stond als de Fakhani-republiek naar de wijk waar de PLO was gevestigd, maar Mar Elias had een voornamelijk christelijke bevolking. Het werd bewaakt door falangisten, die de Palestijnen op afstand probeerden te houden. Voorbij de ‘groene lijn’, de Damascusstraat die de oostelijke sector van de westelijke scheidde, lagen de straten grotendeels in puin, dus je moest om de bergen stenen heen rijden. Onze vrachtwagens moesten er niet stuiten op een hindernis, want die plekken waren een geliefde locatie voor sluipschutters, die op de loer lagen langs de aanvoerroute.

 Als je er stilstond had je grote kans dat je onder vuur genomen werd. Eenmaal werd er een chauffeur onderweg doodgeschoten, met als gevolg dat zijn transportbedrijf er de brui aan gaf. Uiteindelijk schroefden we dikke staalplaten op de cabinedeuren, wit geschilderd met de letters UN erop, zodat de mannen hopelijk van opzij enige bescherming hadden.

Ik was eenmaal naar Mar Elias geweest, en daar wil ik liever niet aan herinnerd worden. Onderweg viel er een zware raket op een gebouw niet meer dan tweehonderd meter verderop. Het gebouw stortte in; een minuut later en we waren zo plat als een dubbeltje geweest. De straat was geblokkeerd door het puin, dus we keerden bliksemsnel om en smeerden hem, voordat we werden beschoten.

* * *

Tijdens de derde retourreis naar Beiroet die we maakten met de Aizdihar, werden we aangehouden door een Israëlische patrouilleboot. We waren juist vanuit Beiroet vertrokken en op de thuisreis, toen ze vanuit het zuiden kwamen aanrazen, met minstens dertig knopen en een grote witte boeggolf. We kregen vlak buiten de haven via de megafoon in het Arabisch de opdracht om te stoppen en te wachten op een enterploeg.

‘Stop maar liever,’ zei ik tegen Hakim, die de motor op stop zette. We vielen dwars en begonnen te slingeren op de golven van de Israëlische boot, die langszij was gekomen en met een rubber stootrand tegen ons aan klapte.

Ze kwamen aan boord, vier man sterk, tot de tanden gewapend, Davidsster op de mouw, helmen, scherfvesten, zonnebrillen, portofoons en een houding van ‘wie doet ons wat’.

‘Papieren,’ commandeerde de sergeant die de ploeg aanvoerde, in het Arabisch.

‘Papieren, alstublieft, bedoelt u zeker,’ antwoordde ik in het Engels. Ik trok mijn identiteitskaart van de UNRWA. ‘U hindert een humanitair charterschip van de Verenigde Naties, in Libanese wateren. Wie voor de donder zijn jullie?’

Ze deinsden een beetje terug. Ze hadden een Libanese schipper verwacht, niet een buitenlander die een even grote mond teruggaf.

‘Wij zijn volledig bevoegd verklaard door de Libanese regering.’

‘Alleen voor wateren bezuiden Tyrus,’ antwoordde ik kalm. ‘Hier hebt u niets te zoeken. Wilt u dat uw afgevaardigde bij de VN op het matje wordt geroepen?’

‘Desondanks willen wij weten, wat u uitvoert.’

‘Ik spreek wel met uw commandant. Hij is van harte welkom voor een gesprek.’

De sergeant sprak in zijn portofoon. Het antwoord liet niet lang op zich wachten. Ik werd in de boeien geslagen en afgevoerd naar de Israëlische patrouilleboot. Daar werd ik in een hut gezet met een gewapende kerel bij de deur, die mij bekeek als de eerste de beste terrorist. We voeren een tijdlang langzaam naar het zuiden, daarna lagen we een moment stil totdat ik de motoren hoorde brullen en we er met een dertigmijlsvaart vandoor stoven.

Tegen de avond kwam de boot binnen in de marinehaven van Haifa. Daar werd ik in een politiewagen gegooid, afgevoerd naar wat een politiebureau leek en in een kamer gezet.

Er kwam een man in burger binnen, die achter de tafel ging zitten en mij zwijgend aankeek.

* * *

 Zoals gezegd: de Nederlandse editie zal vermoedelijk verschijnen in oktober. Maar als u ook graag Engels leest: de Engelse editie (Contested Land) is inmiddels uitgegeven op het digitale platform Bookmundo, en te bestellen via mijn website, als paperback zowel als e-book.