Het riviertje nam de wijsheid die Anansi had verzameld mee naar de zee, die alles verspreidde over de hele wereld, en zo komt het dat een klein beetje wijsheid in ons allen voortleeft.
Vandaag, 12 juni, is mijn vierde roman ANANSI gepubliceerd bij Uitgeverij Palmslag.
Op de achterzijde van het boek staat een korte introductie:
Al eeuwenlang zijn in West-Afrika verhalen verteld van de slimme spin Anansi. Als jong meisje heeft Efua ze van haar oma geleerd. Maar haar dorp is niet veilig en Efua wordt, evenals zo vele anderen, geroofd en verkocht op de slavenmarkt van Elmina. In Elmina ontmoet zij de Nederlandse zeeman Evert, die haar met respect aanspreekt en ziet wie zij echt is.
Efua draagt Anansi met zich mee: in de kerkers van Fort Elmina, in de armen van haar geliefde, in het duister van het slavenschip en in het oerwoud van Suriname.
'Anansi' gaat over de verschrikkingen van de slavenhandel en de Surinaamse plantages, over Caribische piraten, orkanen en de ontberingen van de zeevaart in lang vervlogen tijden. Een verhaal voor liefhebbers van de zee, van verre landen, historie en spanning. 'Anansi' is bovenal het verhaal van twee jonge mensen, de een zwart en de ander wit, die elkaar niet willen loslaten in weerwil van wrede vervolging.
In de komende tijd worden verschillende presentaties gepland van het boek, de eerste naar verwachting in augustus. Ik zal daar te zijner tijd over berichten.
Ook de Engelse editie van ANANSI is in vergevorderd stadium. De drukproef is al aangekomen en wordt nu gecorrigeerd. Publicatie volgt zodra ook de digitale editie beschikbaar is. Hier is alvast de cover:
Nog anderhalve maand resteert tot de publicatie van mijn nieuwe boek ANANSI. De publiciteitscampagne is al in voorbereiding en de uitgever
is bezig met de laatste vormgeving en de coverfoto. Die wordt gebaseerd op de
onderstaande foto, maar wel met wat aanpassingen. Dat was nog
een hele discussie, maar je moet een vormgever ook een beetje zijn ding laten
doen!
De Surinamerivier bij zonsopkomst
Er
is geen boek dat mij uiteindelijk zoveel hoofdbrekens heeft gekost als Anansi.
Toen ik vorig jaar in Paramaribo werd geïnterviewd door een journaliste van De
Ware Tijd, vroeg zij mij of ik de slavernij niet te veel zou romantiseren.
‘Maak je geen zorgen,’ zei ik, ‘ik neem geen blad voor de mond.’ En dat heb ik
ook niet gedaan, want ik heb geprobeerd een eerlijk verhaal te schrijven,
zonder de verschrikkingen van het verleden kleiner te maken dan ze waren.
Dilemma’s
en het krachtenveld
En
daarmee zijn we direct beland in de dilemma’s waarmee je als auteur wordt
geconfronteerd bij het schrijven van een verhaal als dit. Anansi is geen
geschiedenisboek, maar een historische roman over een rebelse zeeman en een
slaafgemaakte vrouw, die zich onweerstaanbaar tot elkaar aangetrokken voelen. Ik wilde vooral een mooi verhaal schrijven, en veel ervan is fictie, maar je moet de historische achtergrond nooit uit het oog verliezen.
Je
moet wel eerlijk blijven in je keuzes en je huiswerk doen. De realiteit van het
slavernijverleden is lastig te doorgronden, enerzijds door de tussengelegen honderden jaren,
maar ook door de gevoeligheid van het onderwerp en het verhitte debat daarover,
waarin de meningen vaak lijnrecht tegenover elkaar staan. Door je huiswerk te
doen kun je daar een onderbouwde mening over vormen, en met enige tact en
bescheidenheid is het meestal wel mogelijk om je in dat krachtenveld te
bewegen.
Ik
geef toe dat ik daar aanvankelijk nogal naïef in zat. Zo had ik de
illusie dat je in een historische roman over dit thema misschien wel voorzichtig moest
omspringen met je woordgebruik, maar dat bijvoorbeeld het woord ‘slaaf’ in de
historische context niet al te zwaar zouden wegen. Tenslotte gebruikt de ‘grande dame’ van de Surinaamse literatuur Cynthia McLeod dat woord ook in haar boeken.
Ik
kwam echter van een koude kermis thuis, want ik kreeg het dringende advies om
dat toch maar aan te passen. Dus op de valreep ben ik twee dagen bezig geweest
om het manuscript grondig te kuisen. Ik denk dat het aardig gelukt is, en
misschien is het boek er wel beter door geworden, zonder het Nederlands teveel
geweld aan te doen.
Desondanks
heb ik mij af en toe afgevraagd of ik dit boek wel had moeten schrijven. Maar
waarom niet? Ik heb het slavernijverleden diepgaand onderzocht en mijn
conclusies getrokken. De afschuw die ik voelde in de kerkers van fort Elmina, bij de historische afbeeldingen van het tussendek van een slavenschip en de wreedheden
op de plantages, en niet te vergeten de talloze publicaties en historische
reisverslagen die ik heb doorgelezen, vroeg om een uitlaatklep.
De
voorouders van de meeste Surinamers waren niet vrij zoals de mijne, tenzij zij
de plantage ontvluchtten en kozen voor een onzeker leven in de wildernis. Veel
Surinamers voelen zich sterk met hun voorouders verbonden en ik kan mij
nauwelijks voorstellen wat het betekent als je betovergrootmoeder eigendom was
van een zakenman, die haar straffeloos kon verkrachten of laten doodslaan.
Wie
over de slavernij wil lezen, kan ik Wij slaven van Suriname aanraden, het boek
uit 1934 van Anton de Kom, de Surinaamse auteur en Nederlandse verzetsman die
sinds kort in de Canon van Nederland staat. Zijn moeder was nog in slavernij
geboren en Anton de Kom vertolkte gevoelens die nog steeds bij vele Surinamers
leven.
Volgens
R.S. Rattray worden de West-Afrikaanse volksverhalen over de spin Anansi vooral
’s avonds bij donker verteld. Vaak hebben ze een morele boodschap of wordt er
iemand in voor schut gezet. Daarom begint de verteller meestal met de disclaimer
dat het niet meer dan een gerucht is dat hij toevallig heeft gehoord.
Evenals
de vertellers over Anansi ontkom ook ik niet aan een disclaimer, want in de
anderhalf jaar waarin ik Suriname heb bestudeerd, ben ik tot hooguit een
fractie van de cultuur en de geschiedenis van het land doorgedrongen. Ik heb
met dit verhaal alleen de verbinding gezocht, en of mij dat is gelukt, is aan u als lezer om te beoordelen.
Hieronder is de videotrailer voor ANANSI:
Anansi
verschijnt naar verwachting op 12 juni bij uitgeverij Palmslag, ISBN 978 94
93245 87 7.
Beknopte
literatuurlijst
A.
Kappler, 6 jaren in Suriname, Schetsen en tafereelen uit het maatschappelijke
en militaire leven in deze kolonie. W.F. Dannenfelser, Utrecht 1854, De
Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, DBNL 2006
Anton
de Kom, Wij slaven van Suriname, ISBN 978 9045 041094
Anton
de Kom, Anangsieh Tories, ISBN 978 9045 045887
Gert
Oostindie, Het paradijs overzee, ISBN 978 9067 181792
Karwan
Fatah-Black, Sociëteit van Suriname, ISBN 978 9462 491625
Karwan
Fatah-Black, Slavernij en beschaving, ISBN 978 6026 355028
Leo
Balai, Slavenschepen van de West-Indische Compagnie (over de ramp met de Leusden),
ISBN 978 90 5730 7294
P.C.
Emmer, De geschiedenis van de Nederlandse slavernij in een notendop, ISBN 978
9044 648508
Jos
Fontaine, Zeelandia, de geschiedenis van een fort. Suriname en zijn historie
deel 1, De Walburg Pers, Zutphen 1972
Dit is weer een post over mijn onderzoek naar de achtergronden voor mijn nieuwe boek ANANSI, dat in juni a.s. zal worden gepubliceerd.
Rond 1600 was
Nederland in oorlog met Spanje en Portugal. Slavernij was bij wet verboden in
Nederland, maar niet op het Iberisch schiereiland en in de Spaanse en Portugese
koloniën. Nederland had rond 1600 nog geen koloniën, maar dat zou snel
veranderen na de oprichting van de VOC in 1602. De oorlog met Spanje en
Portugal werd tussen 1609 en 1621 in de ijskast gezet (het Twaalfjarig Bestand), een periode waarin de Nederlandse overzeese handel tot bloei kwam en
vele gebieden in Azië werden gekoloniseerd. De VOC was grotendeels een
militaire organisatie gericht op verdrijving van de Portugezen uit dat gebied en was gedekt door een 'octrooi', een monopolie verleend door de Staten-Generaal. Het handeldrijven ontstond pas in het kielzog van de veroveringsoorlog.
Het kanonschot, Willem v/d Velde de Jongere, 1707
Het
twaalfjarig bestand kwam ten einde in 1621 en het kan geen toeval zijn dat dat
het oprichtingsjaar was van de WIC, de ‘geoctroyeerde West-Indische Compagnie’.
De WIC was opgezet naar het model van de VOC en was aanvankelijk eveneens een
militaire organisatie, een soort huurlingenleger. Tegenwoordig zouden we de
parallel trekken met de Wagnergroep! Ook de WIC was gericht op het verdringen
van de Portugezen uit hun Afrikaanse en Zuidamerikaanse koloniën, wat ook ten
dele gelukte. Daarbij moeten we beseffen dat er in de Atlantische Oceaan al in
1494 bij het verdrag van Tordesillas een lijn was getrokken, ongeveer op de
lengtegraad van de monding van de Amazone, waardoor de Spanjaarden niet in
Brazilië en Afrika mochten handeldrijven. Daardoor spreekt overigens Brazilië
nog steeds Portugees...
De WIC
verkeerde een groot deel van zijn bestaan in financiële problemen, moest in
1647 met overheidssteun worden gered en ging uiteindelijk in 1674 ten onder.
Daarna werd de zaak gesaneerd en zag de tweede WIC het licht, die (naast de handel in plantageproducten) vooral op
slaven- en goudhandel was gericht. De militaire expansie tegen de Portugezen en
Spanjaarden was natuurlijk na de vrede van Münster van 1648 niet meer aan de orde.
Al in 1623
trof de WIC voorbereidingen voor de slavenhandel. Dat slavernij bij wet verboden was in de Republiek werd gemakshalve even vergeten. Er werd een onderzoek gedaan
naar slavenhandel in Angola, waarvan de kust toen al anderhalve eeuw in Portugese handen was.
Later werd langs de hele West-Afrikaanse kust gepoogd om de Portugezen eruit te
werken. Luanda werd veroverd in 1643 en eerder, in 1637, veroverde de WIC na enkele
mislukkingen fort Sint-George van Elmina op de Portugezen.
Elmina zou
het Afrikaanse hoofdkwartier worden van de WIC, naast diverse andere 'handelsposten'. De Portugezen deden al vanaf
het begin van de 16e eeuw aan slavenhandel, maar Elmina was aanvankelijk vooral
gericht op de goud- en ivoorhandel. Elmina betekent dan ook ‘de mijn’, het is
gelegen aan de toenmalige Goudkust. De slavenhandel zou zich uiteindelijk vanuit
Angola uitbreiden naar de Slaven-, Goud- Ivoor- en Greinkust, ruwweg het
kustgebied tussen het huidige Nigeria en Senegal.
Slavenfort Elmina
Vraag en
aanbod zijn de motor van elke handel, en dat gold ook voor de slavenhandel. Het voert te ver om de hele slavenhandel
te bespreken in dit korte bestek en ik zal mij beperken tot het aanbod van
slaafgemaakten in het gebied binnen het hedendaagse Ghana en de vraagzijde in
Nederlands Brazilië, Suriname, Essequibo, Berbice en Spaans-Amerika.
Allereerst
moet worden gezegd dat slavernij heel gewoon was in Afrika. Soms verkochten
mensen zichzelf of hun kinderen om te ontsnappen aan schuld of armoede. De
bestaanszekerheid in slavernij was kennelijk vaak groter dan daarbuiten, hoewel slaven ook in Afrika vaak slecht werden behandeld.
Daarnaast was de inlandse stammenstrijd een belangrijke bron van gevangenen.
Het gebied dat nu Ghana heet was grotendeels bewoond door aan elkaar verwante volken zoals
de Ashanti, de Denkyira, de Akyem en de Fante. Zij spraken (en spreken)
allerlei dialecten van de Akan-talengroep en hebben vergelijkbare culturen.
Ashanti-nederzetting ca. 1810
Ondanks de
overeenkomst tussen de verschillende Akan-volken werd er flink onderling oorlog
gevoerd, waarbij we de vergelijking kunnen trekken met wat er tegenwoordig plaats heeft in
het oosten van Congo en Rwanda. Onderlinge moordpartijen en slavenhalen waren
aan de orde van de dag. De Ashanti waren aan het eind van de 17e eeuw bezig met
een expansiestrijd onder leiding van asantehene (koning) Osei Kofi Tutu. Zijn
hogepriester, de okomfo Anokye, was de drijvende kracht achter een
persoonlijkheidscultus en mythologie rondom de asantehene. Door hun expansieoorlog werden de Ashanti een
belangrijke leverancier van Afrikaanse gevangenen aan de West-Indische
Compagnie. Ze kregen betaald met handelsgoederen, ondermeer goedkope textiel,
vuurwapens, munitie en sterke drank.
Aan de
vraagzijde stond de plantage-economie in het Caribisch gebied en in de
vruchtbare bosrijke kustvlakten ten westen van de Amazonedelta. Zodra de geheimen van de
suikerproductie door de Hollanders waren ontfutseld aan de Portugezen, werd
suiker het nieuwe goud. Voor de productie was veel mankracht nodig, die werd
geleverd door van overzee aangevoerde Afrikaanse gevangenen.
aankomst van een slavenschip
Ten westen
van de Amazone waren de Spanjaarden heer en meester, met uitzondering van delen
van het kustgebied waar Engelse, Franse en Nederlandse koloniën waren
gevestigd. Voor de aanvoer van slaafgemaakte werkkrachten naar Spaans-Amerika
was een toeleverancier nodig, omdat de Spanjaarden niet zelf in Afrika mochten handeldrijven. Die toeleverancier werd de (tweede) WIC.
De constructie zat zo in
elkaar, dat een Spaanse (of soms een niet-Spaanse) handelaar een contract met
de Spaanse kroon sloot, een monopolie voor slavenhandel op Spaans-Amerika. Dit asiento hield in dat de contractant mensen van een leverancier inkocht op een
van de Caribische eilanden. De WIC was lange tijd die toeleverancier, met als
doorvoerhaven Curaçao. Daar is overigens nog steeds een stadsdeel met de naam
Asiento!
Daarnaast
voer de WIC op Paramaribo en Berbice (in het huidige Guyana) om de plantages in
het achterland van werkkrachten te voorzien. De WIC had weliswaar een octrooi van de Staten-Generaal, maar er werd ook illegaal gevaren
door zogenaamde ‘lorrendraaijers’, smokkelaars veelal van Zeeuwse origine. De
WIC had er de handen vol aan, temeer omdat de Zeeuwen niet schroomden om
de patrouilleschepen van de Compagnie onder vuur te nemen!
Hoewel de failliete
eerste WIC vanaf de verovering door Abraham Crijnssen op de Engelsen in 1667
het bestuur voerde over Suriname, was er een dispuut met de provincie Zeeland,
die Crijnssen juist op de veroveringstocht had uitgestuurd en daarom aanspraak maakte op de kolonie.
Uiteindelijk werd het dispuut beslecht door de oprichting van de Sociëteit van
Suriname in 1683, die de kolonie zou kopen van de Zeeuwen. De drie
aandeelhouders waren de WIC, het stadsbestuur van Amsterdam en de oud-militair
Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck, die ook de eerste gouverneur zou zijn
namens de SvS. Hij betaalde zijn aandeel met in Amsterdam geleend geld.
Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck
Economisch
gezien was de kolonie een wangedrocht. Vele Engelse planters waren uit de
kolonie vertrokken naar Jamaica, onder medeneming van hun slaven. Er was dus
een groot tekort aan mankracht in de kolonie, waar nieuwe Nederlandse planters
arriveerden, die feitelijk de dienst uitmaakten. Er was gebrek aan alles:
niet alleen mankracht, maar ook paarden, vee en voedsel. Een deel van het probleem was de eis dat
de bevoorrading verplicht vanuit Amsterdam moest plaatsvinden, een aanvoerlijn
van ettelijke maanden. Er mocht dus geen voedsel of vee worden aangevoerd
vanuit de omliggende gebieden.
Dat werd
versterkt door de onwil van de planters om grond en mankracht ter beschikking
the stellen voor de voedselproductie. De kostgrondjes van de plantagebewoners
waren voor eigen gebruik en bij lange na niet genoeg om Paramaribo te bedienen.
Uiteindelijk moest Van Sommelsdijck oogluikend toestaan dat Engelse schippers
met voedsel, vee en paarden naar Paramaribo kwamen. Het constante
voedingstekort leidde tot rantsoenering van het garnizoen, dat in 1688 in
opstand kwam en Van Sommelsdijck vermoordde.
De aanvoer
van mankracht vanuit Afrika was ongewis. De planters kochten de schaarse
werkkrachten op een veiling in Paramaribo, die werd geopend wanneer er een
slavenschip aankwam. Veelal was dat ruilhandel, omdat contant geld schaars was
en veel plantages slecht rendeerden. De mensen werden gekocht met een gewicht
aan suiker, of soms met een ‘promesse’ op een toekomstige oogst. Door het
tekort aan werkkrachten werden ze veelal afgebeuld, en sommigen smeerden hem
direct het bos in, waar ze genadeloos werden achtervolgd. Er stonden zware
lijfstraffen op weglopen.
plantagehuis Mariënbosch
De gemiddelde
levensduur van een gezonde jonge Afrikaanse man op een plantage was 8 tot 10 jaar,
wat voldoende zegt over de leef- en werkomstandigheden. Of ze dan alleen ongeschikt waren geworden
voor het zware werk of echt waren overleden is niet helemaal duidelijk.
Versleten mensen werden veelal vrijgelaten, ‘gemanumitteerd’ heette dat (Latijn: met de
hand weggestuurd) en leidden een armoedig bestaan buiten de plantage.
De slavernij
werd vooral in stand gehouden door aandeelhouders en afwezige plantage-eigenaren, die dachten veel te
verdienen aan de suiker en andere tropische producten. Ik heb er geen concrete aanwijzingen voor kunnen
vinden, maar ik heb nog een andere hypothese, namelijk dat de winst zat in de
tussenhandel, m.a.w. het vervoer en de raffinage van de producten. De suiker,
koffie en indigo die op de plantages werden geproduceerd zouden weleens net zo'n
slechte prijs kunnen hebben gekregen als de hedendaagse koffieboeren
in Midden-Amerika. En Fair Trade bestond toen nog niet...
De WIC en de SvS werden opgeheven na het ontstaan van de Bataafse Republiek in 1795. Helaas gingen na 1815 de planters met toestemming van de Staat der Nederlanden doodleuk door op dezelfde weg van uitbuiting en vernedering.
In mijn nieuwe boek ANANSI speelt de scheepvaart een belangrijke rol,
omdat de slavenhandel voor een groot deel overzee ging. Het zou te ver voeren om een
uitgebreide verhandeling te schrijven over dit onderwerp: dat zou voor de
meeste lezers zijn doel voorbij schieten. Ik zal mij daarom beperken tot een
algemeen verhaal en wat afbeeldingen.
Replica van de 'Halve Maen' van Henry Hudson, let op het hoge smalle achterschip
De Republiek was rond 1600 in oorlog met de Spanjaarden en
ontwikkelde zich intussen tot een belangrijke handelsnatie, die schreeuwde om
schepen. Afgezien van de kleinere kust- en binnenvaartschepen werden er in de
Nederlanden honderden zeeschepen gebouwd per jaar. De uitvinding van de
houtzaagmolen in 1592 maakte een snellere scheepsbouw mogelijk. De ontwikkeling
van de schepen stond ook niet stil, wat zich uitte in een betere rompvorm en
een betere tuigage. Het eerste dat opvalt is dat de schepen groter werden en de
extreem smalle en hoge opbouw van het achterschip vlakker werd. Die vorm is te zien aan de Halve Maen van Henry Hudson, een schip uit 1609,
en de Witte Swaen van Willem Barentsz uit 1596.
Replica van de 'Witte Swaen'
Nederlandse scheepstypen
De eerste die een uitgebreide beschrijving maakte van de
Nederlandse scheepsbouw was Nicolaes Witsen, een van de Amsterdamse notabelen.
Zijn neef Jonas Witsen, een andere telg uit die welgestelde familie, was trouwens eigenaar
van drie plantages in Suriname, waar hij door zijn hardvochtige beleid een
slavenopstand veroorzaakte.
Een fluitschip (links) en een pinas, waarvan de bodem wordt schoongemaakt (rechts)
Nicolaes Witsen beschreef in 1671 een aantal scheepstypen
die in de Nederlandse zeevaart een grote vlucht hadden genomen. Een daarvan was
de fluit, ook wel fluitschip, een lang schip met ronde stevens, dat een
eenvoudige tuigage had, een groot laadvermogen en verrassend goede
zeileigenschappen. Een ander scheepstype beschreven door Witsen is de pinas,
een middelgroot schip met een spiegel, die lijkt op een wat kleinere uitgave
van de retourschepen van de VOC.
Een fluit, van achteren gezien
De fluit was een driemaster van ca. 35 meter lang en in
algemeen gebruik bij de Nederlandse handelsvaart. Deze schepen hadden sterk naar binnen vallende boorden en een smal dek, en ongeveer 80% van de
Nederlandse zeeschepen was van dat type. Ze voeren naar de Oostzee, de Middellandse Zee, in
de walvisvaart en maakten ook verre reizen naar de Oost en de West. Daarmee
kwamen deze schepen ook terecht in de slavenvaart van de WIC.
De grootste schepen die voor de slavenvaart werden uitgerust, waren
fluiten, pinassen en fregatten. Dergelijke vaartuigen waren tussen de 100 en
120 voet lang en vervoerden gemiddeld zeshonderd slaven per reis. Bij het
vaststellen van de ‘toerbeurten’ hanteerden de Heren Tien de standaard van
vijfhonderd slaven voor grote schepen. In de praktijk viel het aantal vervoerde
slaven altijd hoger uit dan de standaard aangaf. Deze grote slavenschepen
werden bewapend met vijftien tot twintig stukken geschut en hadden een
bemanning van vijfenveertig tot zestig man. De gemiddelde reisduur van een
slavenschip was 516 dagen, inclusief de wachttijd in Afrika en Amerika en de
terugreis naar de Republiek.
Galjoot met een gaffeltuig en een marszeil aan de voormast, ca. 1780, naar G. Groenewegen
Voor de kustvaart, ook in de koloniën, waren kleinere scheepstypen in gebruik,
zoals de hoeker en de galjoot. Deze waren vermoedelijk ontwikkeld uit vissers-
en binnenvaartschepen. De lengte was ongeveer 25 meter en ze hadden meestal een
vlak dek en een grote ‘zeeg’ (doorgezakte vorm van de romp). Van oorsprong waren galjoten tweemasters met een langsscheeps spriettuig of gaffeltuig, maar in
de 18e eeuw werden ook driemastgaljoten gebouwd. Voor het onderhouden van de verbindingen, voor het vervoer
van bestuursleden van de WIC en de VOC en politieke ambtsdragers werden licht bewapende
‘jachten’ gebruikt, waarvan de bekendste vertegenwoordiger het ‘Statenjacht’
is. Tot slot waren er echte oorlogsschepen, die buiten het bestek van dit
verhaal vallen. Deze waren vergelijkbaar met de grote Oostindiëvaarders van de
VOC.
Een gewapend 'jacht', midden 18e eeuw (naar G.Groenewegen)
Zeeschepen onderdeks
Zowel de fluit als de pinas, waar ik mij nu even toe zal
beperken, hadden een tussendek. Het tussendek werd meestal betiteld als overloop en soms ook als koebrug, hoewel dat verwarrend is omdat
die term ook voor iets anders werd gebruikt. Een deel van de overloop vlak voor
de grote mast was meestal in gebruik als bemanningsverblijf. Het hoofddek van
deze schepen werd het verdek genoemd.
Achter de grote mast boven het verdek lag bij de meeste schepen een halfdek, hoewel dat niet blijkt uit de
tekening van Nicolaes Witsen. Onder het halfdek huisden de stuurlui en
eventuele passagiers. Helemaal achterop onder het korte kampanjedek lag de grote kajuit van de schipper. Vooruit onder het bakdek was het onderkomen van de vaklui,
zoals de bootsman, de kok en de timmerman. Tussen het halfdek en de bak lag een
stuk hoofddek dat ook wel de kuil
werd genoemd, vaak met loopgangen langs de verschansing die als ‘koebrug’
werden betiteld, waarmee de bemanning gelijkvloers naar voren en achteren kon
komen.
Indeling van een pinas met een kort halfdek ver achter achter de grote mast, naar Witsen
De hoogte tussen de overloop
en het bovenliggende verdek was
afhankelijk van de grootte van het schip, en meestal tussen de 5 en 6 voet (1.50-1.80m). Dat
is van belang om te weten, want deze schepen werden in West-Afrika
vertimmerd voor de slavenvaart, waarbij in de zijden een extra stelling werd
ingebouwd, zodat er ruimte kwam voor een tweede laag liggende mensen in het
tussendek. Op die manier konden met zo’n schip 500 tot 600 mensen worden
vervoerd. De leefomstandigheden aan boord van die mensen laten zich raden.
Tuigage
De tuigage van de meeste koopvaardijschepen was eenvoudig,
om het schip te kunnen varen met zo weinig mogelijk mensen. In het bijzonder
gold dat voor de fluitschepen, die slechts twee zeilen per mast hadden, een aan
de ondermast en een aan het verlengstuk, de steng.
De zeilen waren dwarsgetuigd aan raas,
rondhouten die met brassen op de wind werden gedraaid. Als je met zo’n schip hoger aan de
wind wilt varen, moet je de windzijde (de loefzijde)
van de zeilen strak zetten, zodat ze niet dichtslaan. Dat werd gedaan
met een takel, de halstalie. De achterkant
van de zeilen zet je met de schoot (een tweede lijn of takel aan de onderhoek van het zeil) een beetje open, zodat ze de wind enigszins lozen en het
zeil zijn werk kan doen.
Dwarsgetuigde driemast galjoot, zeilend aan de wind (G.Groenewegen)
Het hoog aan de wind varen met deze schepen ging niet al te
best, ze liepen het best met de wind achterlijker dan dwars, of achterin. Vandaar
dat de route van dwarsgetuigde schepen meestal de heersende windrichting volgt.
Met langsgetuigde schepen, zoals galjoten met een gaffel- of een spriettuig, gaat dat iets beter.
Lading en de reis in
de driehoeksvaart
De driehoeksvaart op West-Afrika en het Caribisch gebied kende drie reisdelen en was
zo uitgekiend dat een schip de heersende windrichting en zeestromingen volgde,
of hooguit met halve wind hoefde varen. Van Europa vervoerden de schepen
handelsgoederen, die als ruilmiddel werden gebruikt voor het kopen van mensen,
ivoor en goud op de West-Afrikaanse kust. Die schepen voeren met de ‘Portugese
Noord’ (de noordenwind langs de Portugese kust) en de Noordoostpassaat tot Gorée bij wat nu Dakar is, en daarna verder
de oceaan in, om eventuele tegenwind bij de hoek van Afrika te vermijden. Daarvandaan
werd koers gezet naar Elmina, waar de schippers zich moesten melden. Van
daaruit werden ze vaak naar andere ‘factorijen’ op de kust gedirigeerd om te lossen
en te laden. Het schip werd dan tevens opnieuw bevoorraad en vertimmerd zodat
het slaven kon vervoeren.
Mensen opeengepakt in het tussendek van een slavenschip
Vaak lagen de schepen weken- of maandenlang op de kust, of
ze voeren heen en weer voor het ophalen van ladingen mensen, die op het strand of
in andere handelsposten werden aangeboden. De schipper had een belangrijke
functie in het handeldrijven. Wanneer uiteindelijk de ‘lading’ aan boord was,
voeren ze naar hun tweede bestemming, soms via de kust van Angola om daar de wind te
zoeken. Dan gingen ze in de passaat en door de doldrums (de windstiltegordel)
naar het Caribisch gebied. Die reis duurde vaak heel lang en kostte vele
ongelukkigen het leven.
Ook de bemanningen hadden het slecht op die schepen, door
slechte voeding en slecht drinkwater. Ziekte en dood hielden evenzeer huis
onder de bemanning als onder het menselijk wrakhout in het tussendek. De sterfte
onder de bemanning was ca. 10% gedurende de hele reis. Voor de mensen in het
tussendek was die meestal hoger, omdat die onder aanzienlijk slechtere omstandigheden verkeerden.
Vanuit Suriname of Curaçao vertrok het schip uiteindelijk
met tropische producten naar de Noordamerikaanse kust, waar het de westenwind oppikte om terug te keren
naar Europa.
In 2022 maakten wij een reis naar Suriname, waarbij wij
telkens uitstapjes van enkele dagen maakten vanuit Paramaribo. De reis was
georganiseerd door Waterproof Tours, van waaruit plaatselijke reisbegeleiders
en ‘lodges’ waren besproken. Zonder uitzondering verliep dat uiterst prettig.
1 - Stroomversnellingen in de Surinamerivier.
Gunsi aan de boven-Surinamerivier was een van onze eerste
bestemmingen. Onze gids was Olan Dinge van Inside Suriname Tours, die drie
dagen lang onze uitstapjes regelde en voor ons kookte. Vanuit Little Paradise
in Domburg (zie onder) gingen we per taxi naar Atjoni vlakbij Pokigron, waar de bootverbindingen langs de
bovenloop van de Surinamerivier beginnen. Je gaat in een korjaal met een grote
buitenboordmotor in vliegende vaart door de stroomversnellingen. Zo’n boot zit
vol mensen en voorop ligt vaak nog een stapel vracht voor de nederzettingen
langs de rivier.
onderweg op de rivier
Gunsi is een prachtige plek vlakbij een paar eilanden in de
rivier, waar stroomversnellingen zijn. We logeerden in een primitief hutje aan
het water, en maakten ondermeer een uitstapje naar het Saamaka Marron Museum in Pikin Slee,
verder de rivier op. Het is in het oerwoud aangenaam koel in vergelijking met
het kustgebied.
Saamaka Marron Museum, Pikin Slee
2 - District Commewijne - voormalig plantagegebied
Het tweede deel van de reis ging per fiets naar het district
Commewijne, eerst langs de weg naar Leonsberg. Fietsen langs die weg is niet
erg prettig, want er is geen fietspad. Gelukkig houden de meeste auto’s
rekening met je, maar we moesten af en toe de berm in vluchten... Vanuit Leonsberg
vaar je met een bootje naar de overkant van de Surinamerivier bij Nieuw
Amsterdam.
op de fiets bij Nieuw Amsterdam
Dan naar Mariënburg en weer met een bootje naar de overzijde. Met de
fiets bereik je dan Mariënbosch, een gerestaureerd plantagehuis eigendom van
Saoed Abdoelrahman. In Mariënbosch is trouwens een deel van de TV-serie 'Hoe duur was de suiker' naar het gelijknamige boek van Cynthia McLeod opgenomen.
Mariënbosch plantagehuis
Wij werden hartelijk ontvangen door Saoed en zijn familie
en hebben daar twee dagen prima doorgebracht. Op de fiets zijn we een stuk
langs oud plantagegebied gereden, waar weinig meer van over is. Na terugkomst
in Paramaribo maakten we nog een dolfijnentour vanuit Leonsberg naar de monding
van de Commewijne. De rivierdolfijnen waren uiterst nieuwsgierig, maar ik
vermoed dat ze erg gewend zijn aan de rondvaartbootjes.
3 - West-Suriname: Bigi Pan en Maratakka
Het derde deel van de reis ging naar het westen van het
land, via het rijstcultuurgebied rond Wageningen, de Coppename-rivier en de
Nickerie-rivier naar Nieuw Nickerie, waar we werden opgehaald met een boot naar
het natuurreservaat Bigi Pan. Dit is een kustmoeras met brak water en een grote
rijkdom aan vogels en vis.
Bigi Pan kustmoeras
In Bigi Pan werden we hartelijk ontvangen in Tante Gerda's Lodge op palen midden in het water. Er werd heerlijk voor ons gekookt door Tris, en Sergio liet ons de mooiste plekjes zien in het meer. Na een overnachting in Bigi Pan en een visexpeditie keerden we terug
naar Wageningen, waar we werden opgehaald voor een uitstapje naar het oerwoud
rond de Maratakka-rivier, waar dezelfde familie een tweede lodge heeft.
Maratakka rivier bij Tante Gerda's lodge
Hier maakten we een boottocht over de rivier onder begeleiding van gids Miquel en schipper Dillon. We maakten kennis met de doodshoofdaapjes en brachten daarna de nacht door in
het oerwoud, prima verzorgd door tante Gerda zelf...
4 - Paramaribo en twee landhuizen in de omgeving
Allereerst Paramaribo, waar we tussen de trips door logeerden in Villa Famiri, een klein maar prettig hotel in een rustige wijk. We maakten de eerste dag een stadstocht op de
fiets, onder deskundige leiding van stadsgids Mid Zandveld. Fietsen in
Paramaribo is even wennen, maar daarna valt het best mee.
rondleiding in Paramaribo
Vanuit Paramaribo
gingen we naar Little Paradise in Domburg, een ‘lodge’ met een mooie tuin
eromheen, waar we goed werden verzorgd door Erik Kuiper en zijn vrouw Nita. Je
kunt er fietsen naar de rivier en krijgt er een rondleiding in de tuin.
tuin bij Little Paradise
Een
ander landhuis in de omgeving van Paramaribo is Linde’s Lust van Linde Braber
en haar man Waldie in Sidoredjo, Saramacca, waar we ook konden genieten van een
prachtige tuin. Ook daar was het gezellig toeven.
landhuis Linde's Lust
Daags na aankomst bezochten
we samen met Linde en Sherida Pinas, een kunstenares uit Nieuw-Amsterdam, Bert
Tokaja, een inheemse mandenmaker die uitleg gaf over zijn vlechttechniek. Tot
slot onze laatste dag in Paramaribo, toen de straten waren uitgestorven vanwege
een feestdag van de Saramaccanen, en in de Palmentuin een groot feest
plaatsvond van deze groep Marrons. Een soort Keti Koti in Paramaribo...
Het complete fotoalbum van onze reis vindt u hier.
Arm Suriname
Kortgeleden sloeg in Paramaribo de vlam in de pan, wat mij
eerlijk gezegd nogal heeft geschokt na onze prettige reis vorig jaar september.
Helaas is het land aan de rand van de afgrond na het jarenlange zakkenvullen door foute politici. De staatskas is leeggeroofd en de daders lopen nog
vrij rond. De regering-Santokhi, die helaas een rampzalige toestand heeft geërfd, is niet populair. Ook al door de desastreuze
corona-lockdown en het monetaire beleid, waardoor het land nog verder aan
de afgrond is gebracht. De inflatie is meer dan 50%, de mensen zijn straatarm en ook
de vriendjespolitiek gaat gewoon door – kennelijk is dat onuitroeibaar in
Suriname.
centrale markt in Paramaribo
Veel van de problemen in de Surinaamse politiek worden
toegeschreven aan het kiesstelsel en de verdeeldheid van de Surinaamse politiek
langs etnische lijnen. In het districtenstelsel is geen sprake van evenredige
parlementaire vertegenwoordiging voor iedereen en elke poging om dat te
veranderen wordt geblokkeerd. Het kiesstelsel vindt zijn oorsprong in de
koloniale tijd (als ik het goed begrijp hebben de Hollanders het kiesrecht districtsgewijze
ingevoerd) en de haastige onafhankelijkheid die er in 1975 doorheen is gedrukt
door Joop den Uyl en Henck Arron, nog zelfs voordat er een grondwet was! Als ik de commentaren goed lees maakt het
Suriname vrijwel onregeerbaar.
Arm Suriname, ik word er een beetje verdrietig van en hoop maar dat het goed gaat met al die aardige mensen die we daar hebben ontmoet. Het land heeft zoveel te bieden en de mensen daar verdienen beter.