![]() |
| Deportatie van migranten uit de Tunesische haven Sfax. Deze mensen zouden zijn gedropt in de woestijn. bron: NOS. |
| het rampschip dat onlangs bij Griekenland is vergaan |
![]() |
| Deportatie van migranten uit de Tunesische haven Sfax. Deze mensen zouden zijn gedropt in de woestijn. bron: NOS. |
| het rampschip dat onlangs bij Griekenland is vergaan |
| de dodelijke routes richting Europa (bron: NOS) |
Het riviertje nam de wijsheid die Anansi had verzameld mee naar de zee, die alles verspreidde over de hele wereld, en zo komt het dat een klein beetje wijsheid in ons allen voortleeft.
Vandaag, 12 juni, is mijn vierde roman ANANSI gepubliceerd bij Uitgeverij Palmslag.
Op de achterzijde van het boek staat een korte introductie:
Al eeuwenlang zijn in West-Afrika verhalen verteld van de slimme spin Anansi. Als jong meisje heeft Efua ze van haar oma geleerd. Maar haar dorp is niet veilig en Efua wordt, evenals zo vele anderen, geroofd en verkocht op de slavenmarkt van Elmina. In Elmina ontmoet zij de Nederlandse zeeman Evert, die haar met respect aanspreekt en ziet wie zij echt is.
Efua draagt Anansi met zich mee: in de kerkers van Fort Elmina, in de armen van haar geliefde, in het duister van het slavenschip en in het oerwoud van Suriname.
'Anansi' gaat over de verschrikkingen van de slavenhandel en de Surinaamse plantages, over Caribische piraten, orkanen en de ontberingen van de zeevaart in lang vervlogen tijden. Een verhaal voor liefhebbers van de zee, van verre landen, historie en spanning. 'Anansi' is bovenal het verhaal van twee jonge mensen, de een zwart en de ander wit, die elkaar niet willen loslaten in weerwil van wrede vervolging.
In de komende tijd worden verschillende presentaties gepland van het boek, de eerste naar verwachting in augustus. Ik zal daar te zijner tijd over berichten.
Ook de Engelse editie van ANANSI is in vergevorderd stadium. De drukproef is al aangekomen en wordt nu gecorrigeerd. Publicatie volgt zodra ook de digitale editie beschikbaar is. Hier is alvast de cover:
Later meer.
Nog anderhalve maand resteert tot de publicatie van mijn nieuwe boek ANANSI. De publiciteitscampagne is al in voorbereiding en de uitgever is bezig met de laatste vormgeving en de coverfoto. Die wordt gebaseerd op de onderstaande foto, maar wel met wat aanpassingen. Dat was nog een hele discussie, maar je moet een vormgever ook een beetje zijn ding laten doen!
| De Surinamerivier bij zonsopkomst |
Er is geen boek dat mij uiteindelijk zoveel hoofdbrekens heeft gekost als Anansi. Toen ik vorig jaar in Paramaribo werd geïnterviewd door een journaliste van De Ware Tijd, vroeg zij mij of ik de slavernij niet te veel zou romantiseren. ‘Maak je geen zorgen,’ zei ik, ‘ik neem geen blad voor de mond.’ En dat heb ik ook niet gedaan, want ik heb geprobeerd een eerlijk verhaal te schrijven, zonder de verschrikkingen van het verleden kleiner te maken dan ze waren.
Dilemma’s en het krachtenveld
En
daarmee zijn we direct beland in de dilemma’s waarmee je als auteur wordt
geconfronteerd bij het schrijven van een verhaal als dit. Anansi is geen
geschiedenisboek, maar een historische roman over een rebelse zeeman en een
slaafgemaakte vrouw, die zich onweerstaanbaar tot elkaar aangetrokken voelen. Ik wilde vooral een mooi verhaal schrijven, en veel ervan is fictie, maar je moet de historische achtergrond nooit uit het oog verliezen.
Je moet wel eerlijk blijven in je keuzes en je huiswerk doen. De realiteit van het slavernijverleden is lastig te doorgronden, enerzijds door de tussengelegen honderden jaren, maar ook door de gevoeligheid van het onderwerp en het verhitte debat daarover, waarin de meningen vaak lijnrecht tegenover elkaar staan. Door je huiswerk te doen kun je daar een onderbouwde mening over vormen, en met enige tact en bescheidenheid is het meestal wel mogelijk om je in dat krachtenveld te bewegen.
Ik geef toe dat ik daar aanvankelijk nogal naïef in zat. Zo had ik de illusie dat je in een historische roman over dit thema misschien wel voorzichtig moest omspringen met je woordgebruik, maar dat bijvoorbeeld het woord ‘slaaf’ in de historische context niet al te zwaar zouden wegen. Tenslotte gebruikt de ‘grande dame’ van de Surinaamse literatuur Cynthia McLeod dat woord ook in haar boeken.
Ik kwam echter van een koude kermis thuis, want ik kreeg het dringende advies om dat toch maar aan te passen. Dus op de valreep ben ik twee dagen bezig geweest om het manuscript grondig te kuisen. Ik denk dat het aardig gelukt is, en misschien is het boek er wel beter door geworden, zonder het Nederlands teveel geweld aan te doen.
Desondanks heb ik mij af en toe afgevraagd of ik dit boek wel had moeten schrijven. Maar waarom niet? Ik heb het slavernijverleden diepgaand onderzocht en mijn conclusies getrokken. De afschuw die ik voelde in de kerkers van fort Elmina, bij de historische afbeeldingen van het tussendek van een slavenschip en de wreedheden op de plantages, en niet te vergeten de talloze publicaties en historische reisverslagen die ik heb doorgelezen, vroeg om een uitlaatklep.
De voorouders van de meeste Surinamers waren niet vrij zoals de mijne, tenzij zij de plantage ontvluchtten en kozen voor een onzeker leven in de wildernis. Veel Surinamers voelen zich sterk met hun voorouders verbonden en ik kan mij nauwelijks voorstellen wat het betekent als je betovergrootmoeder eigendom was van een zakenman, die haar straffeloos kon verkrachten of laten doodslaan.
Wie over de slavernij wil lezen, kan ik Wij slaven van Suriname aanraden, het boek uit 1934 van Anton de Kom, de Surinaamse auteur en Nederlandse verzetsman die sinds kort in de Canon van Nederland staat. Zijn moeder was nog in slavernij geboren en Anton de Kom vertolkte gevoelens die nog steeds bij vele Surinamers leven.
Volgens R.S. Rattray worden de West-Afrikaanse volksverhalen over de spin Anansi vooral ’s avonds bij donker verteld. Vaak hebben ze een morele boodschap of wordt er iemand in voor schut gezet. Daarom begint de verteller meestal met de disclaimer dat het niet meer dan een gerucht is dat hij toevallig heeft gehoord.
Evenals de vertellers over Anansi ontkom ook ik niet aan een disclaimer, want in de anderhalf jaar waarin ik Suriname heb bestudeerd, ben ik tot hooguit een fractie van de cultuur en de geschiedenis van het land doorgedrongen. Ik heb met dit verhaal alleen de verbinding gezocht, en of mij dat is gelukt, is aan u als lezer om te beoordelen.
Hieronder is de videotrailer voor ANANSI:
Anansi verschijnt naar verwachting op 12 juni bij uitgeverij Palmslag, ISBN 978 94 93245 87 7.
Beknopte literatuurlijst
A. Kappler, 6 jaren in Suriname, Schetsen en tafereelen uit het maatschappelijke en militaire leven in deze kolonie. W.F. Dannenfelser, Utrecht 1854, De Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, DBNL 2006
Anton de Kom, Wij slaven van Suriname, ISBN 978 9045 041094
Anton de Kom, Anangsieh Tories, ISBN 978 9045 045887
Gert Oostindie, Het paradijs overzee, ISBN 978 9067 181792
Karwan Fatah-Black, Sociëteit van Suriname, ISBN 978 9462 491625
Karwan Fatah-Black, Slavernij en beschaving, ISBN 978 6026 355028
Leo Balai, Slavenschepen van de West-Indische Compagnie (over de ramp met de Leusden), ISBN 978 90 5730 7294
P.C. Emmer, De geschiedenis van de Nederlandse slavernij in een notendop, ISBN 978 9044 648508
Jos Fontaine, Zeelandia, de geschiedenis van een fort. Suriname en zijn historie deel 1, De Walburg Pers, Zutphen 1972
Herwin Hooplot, artikel over het Staatstoezicht in district Coronie: https://coronie.eu/wordpress/2017/06/staatstoezicht-slavernij-coronie-1863-1873/, bron: Op hoop van vrijheid. Van slavensamenleving naar Creoolse gemeenschap in Suriname, 1830-1880. (ISSN 0922-3630 SN 18). Dr. Ellen Klinkers, 1997
Akan-Ashanti Folk-Tales. Collected and translated by R.S. Rattray and illustrated by Africans of the Gold Coast Colony, 1930 (extract op Wikipedia)
Jane Harris, Sugar Money, ISBN 978 0571 336937
Cynthia McLeod, Hoe duur was de suiker, ISBN 978 9054 294481
John Gabriel Stedman, Reize naar Surinamen, https://nl.wikisource.org/wiki/Reize_naar_Surinamen_en_Guiana
Diverse andere bronnen over Ghana, de WIC en de slavenhandel op internet
Dit is weer een post over mijn onderzoek naar de achtergronden voor mijn nieuwe boek ANANSI, dat in juni a.s. zal worden gepubliceerd.
Rond 1600 was Nederland in oorlog met Spanje en Portugal. Slavernij was bij wet verboden in Nederland, maar niet op het Iberisch schiereiland en in de Spaanse en Portugese koloniën. Nederland had rond 1600 nog geen koloniën, maar dat zou snel veranderen na de oprichting van de VOC in 1602. De oorlog met Spanje en Portugal werd tussen 1609 en 1621 in de ijskast gezet (het Twaalfjarig Bestand), een periode waarin de Nederlandse overzeese handel tot bloei kwam en vele gebieden in Azië werden gekoloniseerd. De VOC was grotendeels een militaire organisatie gericht op verdrijving van de Portugezen uit dat gebied en was gedekt door een 'octrooi', een monopolie verleend door de Staten-Generaal. Het handeldrijven ontstond pas in het kielzog van de veroveringsoorlog.
![]() |
| Het kanonschot, Willem v/d Velde de Jongere, 1707 |
Het twaalfjarig bestand kwam ten einde in 1621 en het kan geen toeval zijn dat dat het oprichtingsjaar was van de WIC, de ‘geoctroyeerde West-Indische Compagnie’. De WIC was opgezet naar het model van de VOC en was aanvankelijk eveneens een militaire organisatie, een soort huurlingenleger. Tegenwoordig zouden we de parallel trekken met de Wagnergroep! Ook de WIC was gericht op het verdringen van de Portugezen uit hun Afrikaanse en Zuidamerikaanse koloniën, wat ook ten dele gelukte. Daarbij moeten we beseffen dat er in de Atlantische Oceaan al in 1494 bij het verdrag van Tordesillas een lijn was getrokken, ongeveer op de lengtegraad van de monding van de Amazone, waardoor de Spanjaarden niet in Brazilië en Afrika mochten handeldrijven. Daardoor spreekt overigens Brazilië nog steeds Portugees...
De WIC verkeerde een groot deel van zijn bestaan in financiële problemen, moest in 1647 met overheidssteun worden gered en ging uiteindelijk in 1674 ten onder. Daarna werd de zaak gesaneerd en zag de tweede WIC het licht, die (naast de handel in plantageproducten) vooral op slaven- en goudhandel was gericht. De militaire expansie tegen de Portugezen en Spanjaarden was natuurlijk na de vrede van Münster van 1648 niet meer aan de orde.
Al in 1623 trof de WIC voorbereidingen voor de slavenhandel. Dat slavernij bij wet verboden was in de Republiek werd gemakshalve even vergeten. Er werd een onderzoek gedaan naar slavenhandel in Angola, waarvan de kust toen al anderhalve eeuw in Portugese handen was. Later werd langs de hele West-Afrikaanse kust gepoogd om de Portugezen eruit te werken. Luanda werd veroverd in 1643 en eerder, in 1637, veroverde de WIC na enkele mislukkingen fort Sint-George van Elmina op de Portugezen.
Elmina zou het Afrikaanse hoofdkwartier worden van de WIC, naast diverse andere 'handelsposten'. De Portugezen deden al vanaf het begin van de 16e eeuw aan slavenhandel, maar Elmina was aanvankelijk vooral gericht op de goud- en ivoorhandel. Elmina betekent dan ook ‘de mijn’, het is gelegen aan de toenmalige Goudkust. De slavenhandel zou zich uiteindelijk vanuit Angola uitbreiden naar de Slaven-, Goud- Ivoor- en Greinkust, ruwweg het kustgebied tussen het huidige Nigeria en Senegal.
| Slavenfort Elmina |
Vraag en aanbod zijn de motor van elke handel, en dat gold ook voor de slavenhandel. Het voert te ver om de hele slavenhandel te bespreken in dit korte bestek en ik zal mij beperken tot het aanbod van slaafgemaakten in het gebied binnen het hedendaagse Ghana en de vraagzijde in Nederlands Brazilië, Suriname, Essequibo, Berbice en Spaans-Amerika.
Allereerst moet worden gezegd dat slavernij heel gewoon was in Afrika. Soms verkochten mensen zichzelf of hun kinderen om te ontsnappen aan schuld of armoede. De bestaanszekerheid in slavernij was kennelijk vaak groter dan daarbuiten, hoewel slaven ook in Afrika vaak slecht werden behandeld. Daarnaast was de inlandse stammenstrijd een belangrijke bron van gevangenen. Het gebied dat nu Ghana heet was grotendeels bewoond door aan elkaar verwante volken zoals de Ashanti, de Denkyira, de Akyem en de Fante. Zij spraken (en spreken) allerlei dialecten van de Akan-talengroep en hebben vergelijkbare culturen.
![]() |
| Ashanti-nederzetting ca. 1810 |
Ondanks de overeenkomst tussen de verschillende Akan-volken werd er flink onderling oorlog gevoerd, waarbij we de vergelijking kunnen trekken met wat er tegenwoordig plaats heeft in het oosten van Congo en Rwanda. Onderlinge moordpartijen en slavenhalen waren aan de orde van de dag. De Ashanti waren aan het eind van de 17e eeuw bezig met een expansiestrijd onder leiding van asantehene (koning) Osei Kofi Tutu. Zijn hogepriester, de okomfo Anokye, was de drijvende kracht achter een persoonlijkheidscultus en mythologie rondom de asantehene. Door hun expansieoorlog werden de Ashanti een belangrijke leverancier van Afrikaanse gevangenen aan de West-Indische Compagnie. Ze kregen betaald met handelsgoederen, ondermeer goedkope textiel, vuurwapens, munitie en sterke drank.
Aan de vraagzijde stond de plantage-economie in het Caribisch gebied en in de vruchtbare bosrijke kustvlakten ten westen van de Amazonedelta. Zodra de geheimen van de suikerproductie door de Hollanders waren ontfutseld aan de Portugezen, werd suiker het nieuwe goud. Voor de productie was veel mankracht nodig, die werd geleverd door van overzee aangevoerde Afrikaanse gevangenen.
![]() |
| aankomst van een slavenschip |
Ten westen van de Amazone waren de Spanjaarden heer en meester, met uitzondering van delen van het kustgebied waar Engelse, Franse en Nederlandse koloniën waren gevestigd. Voor de aanvoer van slaafgemaakte werkkrachten naar Spaans-Amerika was een toeleverancier nodig, omdat de Spanjaarden niet zelf in Afrika mochten handeldrijven. Die toeleverancier werd de (tweede) WIC.
De constructie zat zo in elkaar, dat een Spaanse (of soms een niet-Spaanse) handelaar een contract met de Spaanse kroon sloot, een monopolie voor slavenhandel op Spaans-Amerika. Dit asiento hield in dat de contractant mensen van een leverancier inkocht op een van de Caribische eilanden. De WIC was lange tijd die toeleverancier, met als doorvoerhaven Curaçao. Daar is overigens nog steeds een stadsdeel met de naam Asiento!
Daarnaast voer de WIC op Paramaribo en Berbice (in het huidige Guyana) om de plantages in het achterland van werkkrachten te voorzien. De WIC had weliswaar een octrooi van de Staten-Generaal, maar er werd ook illegaal gevaren door zogenaamde ‘lorrendraaijers’, smokkelaars veelal van Zeeuwse origine. De WIC had er de handen vol aan, temeer omdat de Zeeuwen niet schroomden om de patrouilleschepen van de Compagnie onder vuur te nemen!
Hoewel de failliete
eerste WIC vanaf de verovering door Abraham Crijnssen op de Engelsen in 1667
het bestuur voerde over Suriname, was er een dispuut met de provincie Zeeland,
die Crijnssen juist op de veroveringstocht had uitgestuurd en daarom aanspraak maakte op de kolonie.
Uiteindelijk werd het dispuut beslecht door de oprichting van de Sociëteit van
Suriname in 1683, die de kolonie zou kopen van de Zeeuwen. De drie
aandeelhouders waren de WIC, het stadsbestuur van Amsterdam en de oud-militair
Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck, die ook de eerste gouverneur zou zijn
namens de SvS. Hij betaalde zijn aandeel met in Amsterdam geleend geld.
| Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck |
Economisch gezien was de kolonie een wangedrocht. Vele Engelse planters waren uit de kolonie vertrokken naar Jamaica, onder medeneming van hun slaven. Er was dus een groot tekort aan mankracht in de kolonie, waar nieuwe Nederlandse planters arriveerden, die feitelijk de dienst uitmaakten. Er was gebrek aan alles: niet alleen mankracht, maar ook paarden, vee en voedsel. Een deel van het probleem was de eis dat de bevoorrading verplicht vanuit Amsterdam moest plaatsvinden, een aanvoerlijn van ettelijke maanden. Er mocht dus geen voedsel of vee worden aangevoerd vanuit de omliggende gebieden.
Dat werd versterkt door de onwil van de planters om grond en mankracht ter beschikking the stellen voor de voedselproductie. De kostgrondjes van de plantagebewoners waren voor eigen gebruik en bij lange na niet genoeg om Paramaribo te bedienen. Uiteindelijk moest Van Sommelsdijck oogluikend toestaan dat Engelse schippers met voedsel, vee en paarden naar Paramaribo kwamen. Het constante voedingstekort leidde tot rantsoenering van het garnizoen, dat in 1688 in opstand kwam en Van Sommelsdijck vermoordde.
De aanvoer van mankracht vanuit Afrika was ongewis. De planters kochten de schaarse werkkrachten op een veiling in Paramaribo, die werd geopend wanneer er een slavenschip aankwam. Veelal was dat ruilhandel, omdat contant geld schaars was en veel plantages slecht rendeerden. De mensen werden gekocht met een gewicht aan suiker, of soms met een ‘promesse’ op een toekomstige oogst. Door het tekort aan werkkrachten werden ze veelal afgebeuld, en sommigen smeerden hem direct het bos in, waar ze genadeloos werden achtervolgd. Er stonden zware lijfstraffen op weglopen.
| plantagehuis Mariënbosch |
De gemiddelde levensduur van een gezonde jonge Afrikaanse man op een plantage was 8 tot 10 jaar, wat voldoende zegt over de leef- en werkomstandigheden. Of ze dan alleen ongeschikt waren geworden voor het zware werk of echt waren overleden is niet helemaal duidelijk. Versleten mensen werden veelal vrijgelaten, ‘gemanumitteerd’ heette dat (Latijn: met de hand weggestuurd) en leidden een armoedig bestaan buiten de plantage.
![]() |
De slavernij werd vooral in stand gehouden door aandeelhouders en afwezige plantage-eigenaren, die dachten veel te verdienen aan de suiker en andere tropische producten. Ik heb er geen concrete aanwijzingen voor kunnen vinden, maar ik heb nog een andere hypothese, namelijk dat de winst zat in de tussenhandel, m.a.w. het vervoer en de raffinage van de producten. De suiker, koffie en indigo die op de plantages werden geproduceerd zouden weleens net zo'n slechte prijs kunnen hebben gekregen als de hedendaagse koffieboeren in Midden-Amerika. En Fair Trade bestond toen nog niet...
De WIC en de SvS werden opgeheven na het ontstaan van de Bataafse Republiek in 1795. Helaas gingen na 1815 de planters met toestemming van de Staat der Nederlanden doodleuk door op dezelfde weg van uitbuiting en vernedering.
Wordt vervolgd.
In mijn nieuwe boek ANANSI speelt de scheepvaart een belangrijke rol, omdat de slavenhandel voor een groot deel overzee ging. Het zou te ver voeren om een uitgebreide verhandeling te schrijven over dit onderwerp: dat zou voor de meeste lezers zijn doel voorbij schieten. Ik zal mij daarom beperken tot een algemeen verhaal en wat afbeeldingen.
| Replica van de 'Halve Maen' van Henry Hudson, let op het hoge smalle achterschip |
De Republiek was rond 1600 in oorlog met de Spanjaarden en ontwikkelde zich intussen tot een belangrijke handelsnatie, die schreeuwde om schepen. Afgezien van de kleinere kust- en binnenvaartschepen werden er in de Nederlanden honderden zeeschepen gebouwd per jaar. De uitvinding van de houtzaagmolen in 1592 maakte een snellere scheepsbouw mogelijk. De ontwikkeling van de schepen stond ook niet stil, wat zich uitte in een betere rompvorm en een betere tuigage. Het eerste dat opvalt is dat de schepen groter werden en de extreem smalle en hoge opbouw van het achterschip vlakker werd. Die vorm is te zien aan de Halve Maen van Henry Hudson, een schip uit 1609, en de Witte Swaen van Willem Barentsz uit 1596.
![]() |
| Replica van de 'Witte Swaen' |
Nederlandse scheepstypen
De eerste die een uitgebreide beschrijving maakte van de Nederlandse scheepsbouw was Nicolaes Witsen, een van de Amsterdamse notabelen. Zijn neef Jonas Witsen, een andere telg uit die welgestelde familie, was trouwens eigenaar van drie plantages in Suriname, waar hij door zijn hardvochtige beleid een slavenopstand veroorzaakte.
![]() |
| Een fluitschip (links) en een pinas, waarvan de bodem wordt schoongemaakt (rechts) |
Nicolaes Witsen beschreef in 1671 een aantal scheepstypen die in de Nederlandse zeevaart een grote vlucht hadden genomen. Een daarvan was de fluit, ook wel fluitschip, een lang schip met ronde stevens, dat een eenvoudige tuigage had, een groot laadvermogen en verrassend goede zeileigenschappen. Een ander scheepstype beschreven door Witsen is de pinas, een middelgroot schip met een spiegel, die lijkt op een wat kleinere uitgave van de retourschepen van de VOC.
![]() |
| Een fluit, van achteren gezien |
De fluit was een driemaster van ca. 35 meter lang en in algemeen gebruik bij de Nederlandse handelsvaart. Deze schepen hadden sterk naar binnen vallende boorden en een smal dek, en ongeveer 80% van de Nederlandse zeeschepen was van dat type. Ze voeren naar de Oostzee, de Middellandse Zee, in de walvisvaart en maakten ook verre reizen naar de Oost en de West. Daarmee kwamen deze schepen ook terecht in de slavenvaart van de WIC.
De grootste schepen die voor de slavenvaart werden uitgerust, waren fluiten, pinassen en fregatten. Dergelijke vaartuigen waren tussen de 100 en 120 voet lang en vervoerden gemiddeld zeshonderd slaven per reis. Bij het vaststellen van de ‘toerbeurten’ hanteerden de Heren Tien de standaard van vijfhonderd slaven voor grote schepen. In de praktijk viel het aantal vervoerde slaven altijd hoger uit dan de standaard aangaf. Deze grote slavenschepen werden bewapend met vijftien tot twintig stukken geschut en hadden een bemanning van vijfenveertig tot zestig man. De gemiddelde reisduur van een slavenschip was 516 dagen, inclusief de wachttijd in Afrika en Amerika en de terugreis naar de Republiek.
| Galjoot met een gaffeltuig en een marszeil aan de voormast, ca. 1780, naar G. Groenewegen |
Voor de kustvaart, ook in de koloniën, waren kleinere scheepstypen in gebruik, zoals de hoeker en de galjoot. Deze waren vermoedelijk ontwikkeld uit vissers- en binnenvaartschepen. De lengte was ongeveer 25 meter en ze hadden meestal een vlak dek en een grote ‘zeeg’ (doorgezakte vorm van de romp). Van oorsprong waren galjoten tweemasters met een langsscheeps spriettuig of gaffeltuig, maar in de 18e eeuw werden ook driemastgaljoten gebouwd. Voor het onderhouden van de verbindingen, voor het vervoer van bestuursleden van de WIC en de VOC en politieke ambtsdragers werden licht bewapende ‘jachten’ gebruikt, waarvan de bekendste vertegenwoordiger het ‘Statenjacht’ is. Tot slot waren er echte oorlogsschepen, die buiten het bestek van dit verhaal vallen. Deze waren vergelijkbaar met de grote Oostindiëvaarders van de VOC.
| Een gewapend 'jacht', midden 18e eeuw (naar G.Groenewegen) |
Zeeschepen onderdeks
Zowel de fluit als de pinas, waar ik mij nu even toe zal beperken, hadden een tussendek. Het tussendek werd meestal betiteld als overloop en soms ook als koebrug, hoewel dat verwarrend is omdat die term ook voor iets anders werd gebruikt. Een deel van de overloop vlak voor de grote mast was meestal in gebruik als bemanningsverblijf. Het hoofddek van deze schepen werd het verdek genoemd. Achter de grote mast boven het verdek lag bij de meeste schepen een halfdek, hoewel dat niet blijkt uit de tekening van Nicolaes Witsen. Onder het halfdek huisden de stuurlui en eventuele passagiers. Helemaal achterop onder het korte kampanjedek lag de grote kajuit van de schipper. Vooruit onder het bakdek was het onderkomen van de vaklui, zoals de bootsman, de kok en de timmerman. Tussen het halfdek en de bak lag een stuk hoofddek dat ook wel de kuil werd genoemd, vaak met loopgangen langs de verschansing die als ‘koebrug’ werden betiteld, waarmee de bemanning gelijkvloers naar voren en achteren kon komen.
| Indeling van een pinas met een kort halfdek ver achter achter de grote mast, naar Witsen |
De hoogte tussen de overloop en het bovenliggende verdek was afhankelijk van de grootte van het schip, en meestal tussen de 5 en 6 voet (1.50-1.80m). Dat is van belang om te weten, want deze schepen werden in West-Afrika vertimmerd voor de slavenvaart, waarbij in de zijden een extra stelling werd ingebouwd, zodat er ruimte kwam voor een tweede laag liggende mensen in het tussendek. Op die manier konden met zo’n schip 500 tot 600 mensen worden vervoerd. De leefomstandigheden aan boord van die mensen laten zich raden.
Tuigage
De tuigage van de meeste koopvaardijschepen was eenvoudig, om het schip te kunnen varen met zo weinig mogelijk mensen. In het bijzonder gold dat voor de fluitschepen, die slechts twee zeilen per mast hadden, een aan de ondermast en een aan het verlengstuk, de steng. De zeilen waren dwarsgetuigd aan raas, rondhouten die met brassen op de wind werden gedraaid. Als je met zo’n schip hoger aan de wind wilt varen, moet je de windzijde (de loefzijde) van de zeilen strak zetten, zodat ze niet dichtslaan. Dat werd gedaan met een takel, de halstalie. De achterkant van de zeilen zet je met de schoot (een tweede lijn of takel aan de onderhoek van het zeil) een beetje open, zodat ze de wind enigszins lozen en het zeil zijn werk kan doen.
| Dwarsgetuigde driemast galjoot, zeilend aan de wind (G.Groenewegen) |
Het hoog aan de wind varen met deze schepen ging niet al te best, ze liepen het best met de wind achterlijker dan dwars, of achterin. Vandaar dat de route van dwarsgetuigde schepen meestal de heersende windrichting volgt. Met langsgetuigde schepen, zoals galjoten met een gaffel- of een spriettuig, gaat dat iets beter.
Lading en de reis in de driehoeksvaart
De driehoeksvaart op West-Afrika en het Caribisch gebied kende drie reisdelen en was zo uitgekiend dat een schip de heersende windrichting en zeestromingen volgde, of hooguit met halve wind hoefde varen. Van Europa vervoerden de schepen handelsgoederen, die als ruilmiddel werden gebruikt voor het kopen van mensen, ivoor en goud op de West-Afrikaanse kust. Die schepen voeren met de ‘Portugese Noord’ (de noordenwind langs de Portugese kust) en de Noordoostpassaat tot Gorée bij wat nu Dakar is, en daarna verder de oceaan in, om eventuele tegenwind bij de hoek van Afrika te vermijden. Daarvandaan werd koers gezet naar Elmina, waar de schippers zich moesten melden. Van daaruit werden ze vaak naar andere ‘factorijen’ op de kust gedirigeerd om te lossen en te laden. Het schip werd dan tevens opnieuw bevoorraad en vertimmerd zodat het slaven kon vervoeren.
![]() |
| Mensen opeengepakt in het tussendek van een slavenschip |
Vaak lagen de schepen weken- of maandenlang op de kust, of ze voeren heen en weer voor het ophalen van ladingen mensen, die op het strand of in andere handelsposten werden aangeboden. De schipper had een belangrijke functie in het handeldrijven. Wanneer uiteindelijk de ‘lading’ aan boord was, voeren ze naar hun tweede bestemming, soms via de kust van Angola om daar de wind te zoeken. Dan gingen ze in de passaat en door de doldrums (de windstiltegordel) naar het Caribisch gebied. Die reis duurde vaak heel lang en kostte vele ongelukkigen het leven.
Ook de bemanningen hadden het slecht op die schepen, door slechte voeding en slecht drinkwater. Ziekte en dood hielden evenzeer huis onder de bemanning als onder het menselijk wrakhout in het tussendek. De sterfte onder de bemanning was ca. 10% gedurende de hele reis. Voor de mensen in het tussendek was die meestal hoger, omdat die onder aanzienlijk slechtere omstandigheden verkeerden.
Vanuit Suriname of Curaçao vertrok het schip uiteindelijk met tropische producten naar de Noordamerikaanse kust, waar het de westenwind oppikte om terug te keren naar Europa.
Wordt vervolgd.